Toen onze hechte vriendschap ineens voelde als mantelzorg
“Dus jullie gaan gewoon weg, terwijl wij hier zitten?” Dat zei hij aan de telefoon, en ik wist even echt niet wat ik moest zeggen.
We zijn al sinds de jaren tachtig bevriend met een ander stel. Eerst via de tennisvereniging, later werd het gewoon vanzelfsprekend. Vrijdag om en om eten, samen wandelen, af en toe naar de kust, verjaardagen, kerstborrels, alles eigenlijk. We hadden geen schema nodig, het liep gewoon. Mijn man en ik zeiden altijd: dit zijn vrienden voor het leven.
Twee jaar geleden kreeg hij een chronische ziekte. Ik ga niet alle medische details delen, maar het kwam erop neer dat hij veel minder kon, snel moe was en afhankelijker werd. In het begin vonden wij het niet meer dan normaal om bij te springen. Mijn man reed mee naar afspraken in het ziekenhuis, ik kookte extra porties en zette die bij hen in de koelkast, we deden soms boodschappen bij de Albert Heijn als zij erdoorheen zaten. Dat voelde logisch. Als jou zoiets overkomt, hoop je ook dat mensen er zijn.
Alleen schoof het steeds een stukje op.
Eerst was het: “Zouden jullie dinsdag even mee kunnen naar het ziekenhuis?” Daarna: “Kunnen jullie donderdag ook nog komen, want hij is zo onrustig.” En daarna: “Willen jullie zaterdag hier eten? Uit eten lukt ons niet meer, maar we zitten anders weer alleen.” Dat laatste vond ik nog niet eens het ergste. Het was vooral dat het nooit meer vrijblijvend voelde.
Als ik een keer zei: “Deze week lukt het niet, ik ben kapot,” dan kreeg ik terug: “Ja, snap ik, maar jullie hebben tenminste elkaar en jullie kunnen tenminste nog weg.” Dat bleef dan de hele dag in mijn hoofd hangen.
Zijn partner veranderde ook. Of misschien was ze altijd al iemand die veel op anderen leunde en zag ik dat nu pas. Ze appte steeds vaker. Niet alleen praktisch, maar ook voor alles. “Denk jij dat ik de huisarts nog moet bellen?” “Kun je straks even komen, ik trek dit niet?” “Wat eten jullie vanavond, dan hoef ik daar ook niet meer over na te denken.” Soms stonden er op ÊÊn dag zes berichten. Als ik niet reageerde, belde ze.
Mijn man zei eerst steeds: “Ze zitten in een rotfase, dit wordt wel minder.” Maar het werd niet minder. Het werd meer.
Ik moet ook eerlijk zijn over mijn eigen aandeel. In het begin zei ik te vaak ja, ook als ik eigenlijk nee bedoelde. Ik dacht: tijdelijk, niet moeilijk doen. En ik heb er thuis eerder over geklaagd dan tegen hen. Dan ging ik toch weer, met tegenzin soms, en dat voelen mensen natuurlijk ook. Bovendien had ik zelf een beeld in mijn hoofd van hoe vriendschap hoort te zijn. Loyaal, ruimhartig, niet zeuren. Misschien heb ik daardoor te laat grenzen getrokken.
Afgelopen voorjaar wilden mijn man en ik eindelijk een reis boeken. Niks extreems, gewoon drie weken met de auto door Frankrijk en daarna een paar dagen in Zeeland op de terugweg. We zijn net met pensioen en hadden dit al jaren vooruitgeschoven door werk, gedoe met mijn schoonmoeder en later dus hun situatie. Ik zei nog tegen mijn man: “Zullen we het nog even niet vertellen?” Niet uit kwaadheid, maar omdat ik de reactie al aan voelde komen. Dat uitstellen was ook niet handig, dat weet ik.
Toen we het uiteindelijk vertelden bij hen aan de keukentafel, viel het stil. Hij keek naar beneden. Zijn partner zei meteen: “Drie weken? Echt drie weken?” Mijn man zei nog luchtig: “Ja, nu het nog kan.” Daar ging het mis.
“Nu het nog kan?” zei zij. “Dat klinkt alsof wij jullie tegenhouden.”
Ik zei: “Zo bedoelt hij het niet. Maar we willen ook graag nog iets voor onszelf doen.”
Hij zei toen: “Ik gun het jullie heus, maar blijkbaar zijn wij dus iets voor erbij geworden. Terwijl wij hier elke dag zitten te regelen hoe we de week doorkomen.”
Mijn man werd daar kortaf van. “Kom op zeg, we hebben de afgelopen twee jaar echt veel gedaan.”
En toen kwam alles eruit. Dat ze zich in de steek gelaten voelden. Dat andere mensen wel roepen dat ze klaarstaan maar het niet doen. Dat wij de enigen zijn op wie ze bouwen. Dat wij best weten hoe zwaar het voor zijn partner is. Dat drie weken voor gezonde mensen misschien niks is, maar voor hen een gat.
Ik zei: “Maar dat kunnen wij toch niet helemaal opvangen? Wij zijn jullie vrienden, geen thuiszorg.” Meteen had ik spijt van die zin, want hij kwam hard over. Maar hij was er wel uit.
Zijn partner begon te huilen en zei: “Dus zo zie je het. Als last. Fijn om te weten.”
Sindsdien is het stroef. Niet helemaal uit, maar anders. Ze appen minder, al komt dat misschien ook doordat ik afstandelijker reageer. Mijn man vindt dat we duidelijk genoeg zijn geweest en dat zij nu ook andere hulp moeten regelen, via de Wmo, buurtzorg, weet ik veel. Daar heeft hij op zich gelijk in. Tegelijk voelt het voor mij kil om het zo zakelijk te maken na zoveel jaar samen optrekken.
Maar eerlijk: ik trok het ook niet meer. Ik sliep slecht als ik weer drie gemiste oproepen zag. Ik voelde me schuldig als ik een middag op het terras zat. En ik werd thuis chagrijnig van iets wat ooit juist ontspanning was. Dat is toch ook niet gezond?
Vorige week sprak ik haar nog even. Ze zei: “Ik had gewoon gedacht dat oude vriendschap meer betekende.” Ik zei: “Dat betekent het ook, maar ik kan niet jullie hele leven mee gaan dragen.” Toen zei ze: “Misschien weet je pas wat ik bedoel als het jou overkomt.” Daar had ze waarschijnlijk nog gelijk in ook, en toch veranderde dat mijn grens niet.
We gaan binnenkort alsnog op reis, maar ik merk dat het niet meer onbevangen voelt. Ik vind het verdrietig dat een vriendschap van zoveel jaar nu langs deze meetlat ligt. Misschien hebben zij te veel gevraagd, maar wij hebben ook te lang gedaan alsof alles wel kon.
Dus ik vraag me echt af: wanneer ben je een goede vriend, en wanneer word je langzaam een onbetaalde mantelzorger? Hadden wij harder eerder grenzen moeten stellen, of laat je vrienden in zo’n fase juist niet los?