Ik werd vlak voor de diploma-uitreiking gevraagd om me ‘netjeser’ te kleden – en ineens wist ik niet meer of ik daar nog wel wilde staan

“Als je zo gaat, maak je het lastig voor ons allemaal.” Dat zei mijn moeder in de hal van mijn appartement, met mijn diploma nog in een kartonnen koker op tafel en mijn schoenen al aan.

Het ging om mijn diploma-uitreiking in Utrecht. Gewoon van mijn hbo-opleiding. Niks chiques, gewoon een officieel moment waar ik vier jaar voor had gewerkt, naast een bijbaan in de supermarkt en later nog een stage waarbij ik mezelf soms echt voorbij ben gelopen. Ik had me daar lang op verheugd. Niet eens om het papier, maar omdat ik eindelijk een keer iets af zou maken waar ik trots op was.

Ik had een wijde donkerblauwe broek aan, een nette top en daaroverheen een kort jasje. En ja, ik had opvallende oorbellen in en mijn haar felkoper geverfd sinds een paar weken. Niet extreem, niet half Nederland zou er van achterover slaan, maar wel duidelijk mijn stijl. Ik voelde me er goed in.

Mijn moeder niet.

“Het is een diploma-uitreiking, geen festival,” zei ze.

Ik zei: “Ik zie er gewoon netjes uit. Alleen niet op jouw manier.”

Mijn ouder keek vanaf de bank vooral weg. Mijn broer was er ook al en zei: “Kunnen we alsjeblieft gewoon gaan? We zijn al laat.”

Maar toen kwam het echte punt. Mijn moeder zei niet alleen dat ze het te opvallend vond. Ze zei: “Straks denken mensen dat wij geen idee hebben hoe je je voor zoiets hoort te kleden.”

Dat kwam binnen. Niet: jij ziet er slordig uit. Maar: jij zet ons voor gek.

Ik had eigenlijk toen al moeten zeggen dat ze dan maar thuis moest blijven. Maar zo ben ik dus ook weer niet. Ik wilde geen scène. En eerlijk is eerlijk: ik wilde ook heel graag dat mijn familie erbij was. Mijn ouders zijn niet van de grote woorden, niet van knuffels of speeches, maar komen normaal wel opdagen. Dat betekent voor ons al veel.

Dus ik ben toch gaan twijfelen. Ik ben weer naar de slaapkamer gelopen en heb een andere blouse gepakt. Saai beige, eentje die ik eigenlijk alleen aanhad bij sollicitaties. Toen zei mijn moeder: “Zie je wel, dit is veel rustiger.”

Ik voelde me op dat moment al kleiner worden, maar ik ben alsnog meegegaan.

Op school begon het gezeur opnieuw, alleen subtieler. In de zaal zaten studenten met van alles aan: jurken, pakken, sneakers, zelfs iemand in een kleurrijk jumpsuit. Niemand keek ergens van op. Niemand behalve mijn moeder. Die fluisterde twee keer dat ik mijn jasje dicht moest doen. Alsof ik twaalf was.

Bij de koffie achteraf raakte ik aan de praat met een docent. Een lieve vrouw die zei: “Wat fijn dat je familie er is, dit soort mijlpalen deel je toch samen.” Ik lachte maar een beetje. Mijn moeder zei meteen: “Nou, we hebben onderweg nog even crisis gehad over de outfit.” Alsof het grappig was.

Die docent keek ongemakkelijk. Ik ook.

Ik zei: “Dat was geen crisis, mam. Jij vond vooral dat ik eruitzag alsof ik niet bij jullie hoorde.”

Toen werd het stil. Mijn broer liep weg naar de tafel met petitfours. Mijn ouder zei zacht: “Niet hier.”

Maar ja, waar dan wel? Thuis wordt alles onder het tapijt geveegd en op dit soort momenten moet ik ineens normaal doen.

Mijn moeder werd boos en zei: “Je trekt altijd alles zo groot. We wilden alleen dat je representatief was.”

Ik zei: “Voor wie? Voor school was het prima. Voor mij was het prima. Alleen voor jullie niet.”

Ze zei: “Je snapt het gewoon niet. Mensen oordelen nou eenmaal.”

En toen zei mijn ouder eindelijk iets. “Je moeder wilde gewoon dat het een mooie dag werd zonder gedoe.”

Dat vond ik misschien nog wel het pijnlijkst, want daarmee lag het gedoe dus automatisch weer bij mij.

Alleen zit er ook een andere kant aan, en die moet ik eerlijk vertellen. Dit was niet de eerste keer. Ik heb vaker discussies gehad over hoe ik erbij loop, vooral sinds ik na mijn afstuderen heb gezegd dat ik niet meteen een ‘serieuze kantoorbaan’ wil maar eerst parttime wil werken en kijken wat bij me past. Mijn moeder vindt dat onverstandig. Zij heeft haar hele leven in de thuiszorg gewerkt, altijd door, altijd praktisch. In haar ogen maak je geen gedoe, je past je aan en je zorgt dat dingen lopen. En ik heb de laatste maanden juist veel getwijfeld, van baan gewisseld, laat gereageerd op familie-appjes en een paar afspraken afgezegd. Voor hen voelde mijn outfit waarschijnlijk niet als los ding, maar als weer een teken dat ik alle kanten op schiet.

Dat maakt haar opmerking niet minder naar, maar het maakt het wel minder simpel.

Ik had zelf ook dingen laten oplopen. Ik had mijn familie amper betrokken bij mijn laatste studiejaar. Toen ik vertraging had door stress, heb ik daarover gelogen en gedaan alsof alles prima ging. Pas toen de diploma-uitreiking gepland stond, kwamen ze weer dichtbij. Misschien had mijn moeder daardoor ook het gevoel dat ze zich moest vastklampen aan iets tastbaars, zoals hoe ik eruitzag, omdat ze verder niet goed wist waar ze met mij aan toe was.

Maar op dat moment, in die volle zaal van de hogeschool, voelde het niet als bezorgdheid. Het voelde als schaamte.

Ik ben vrij snel weggegaan. Niet boos stampend, gewoon met een smoes dat ik nog met studiegenoten had afgesproken in de stad. Dat was half waar. Ik ben uiteindelijk met twee klasgenoten op een terras gaan zitten bij Neude en daar heb ik voor het eerst die middag echt gelachen. Tegelijk voelde ik me schuldig dat ik mijn familie had laten zitten, terwijl zij wel gekomen waren.

Thuis appte mijn moeder later: “Jammer dat je zo wegging. We bedoelden het goed.” Ik heb teruggestuurd: “Dat geloof ik wel, maar goed bedoeld is niet altijd goed.” Daarna bleef het stil.

We hebben inmiddels wel weer contact, gewoon oppervlakkig. Mijn diploma staat thuis in de kast, maar als ik eraan denk, denk ik niet als eerste aan trots. Eerder aan dat vervelende gevoel dat je op een dag die van jou had moeten zijn toch ineens weer moet bewijzen dat je acceptabel bent.

Tegelijk vraag ik me ook af of ik zelf niet te snel in de verdediging schoot, juist omdat dit al langer speelt en ik me al onzeker voelde over waar ik heen wil. Misschien hoorde ik in haar woorden meer afwijzing dan zij op dat moment bedoelde. Maar het deed wél wat het deed.

Dus ik ben benieuwd: had ik me gewoon moeten aanpassen om de vrede te bewaren, of is er een grens en mag je ook op zo’n dag zeggen: dit ben ik, neem het of laat het?