Mijn man trok gewoon bij zijn beste vriend in, en ik moest daar maar in meegaan
“Dus jij hebt gewoon ja gezegd zonder het met mij te bespreken?”
Mijn man keek me aan alsof ik overdreef. “Het gaat om mijn beste vriend. Die man zit klem. Wat had ik dan moeten zeggen?”
Daar begon het mee, aan onze keukentafel in Amersfoort. We kennen dat andere stel al sinds begin jaren tachtig. Vakanties op de Veluwe, samen naar Zeeland, etentjes, verjaardagen, alles. Altijd gezellig, nooit ingewikkeld. Zij waren ook altijd de makkelijke van de twee: beetje leven en laten leven, glas wijn, caravan, niet te moeilijk doen.
Tot vorig jaar. Bij hem werd een chronische ziekte vastgesteld. Ik ga niet alles delen, maar het is iets waardoor hij snel moe is, slecht loopt en veel hulp nodig heeft bij gewone dingen. In het begin reden wij af en toe mee naar het ziekenhuis, deden we boodschappen bij de Albert Heijn en kookte ik wel eens wat extra. Dat vond ik normaal. Als vrienden doe je dat.
Maar toen kwam de vraag anders binnen.
“Zouden jullie één of twee dagen per week bij ons kunnen zijn? Echt daar slapen ook desnoods,” zei zijn vrouw bij de koffie. “Wij willen die hele stoet van thuiszorg en onbekenden in huis gewoon niet. Hij trekt dat niet. En eerlijk, ik ook niet. Met jullie voelt het vertrouwd.”
Ik zei nog niks. Mijn man wel.
“Natuurlijk. Dat regelen we gewoon.”
Gewoon. Alsof hij had aangeboden de container aan de straat te zetten.
In de auto terug zei ik: “Pardon? Wij? Regelen wij dat gewoon?”
Hij werd meteen kort. “Ze vragen niet om een wereldreis. Ze vragen hulp.”
Ik zei: “Hulp is iets anders dan elke week een halve logeerweek in iemands huis gaan draaien. We zijn zelf ook bijna met pensioen. Ik wil ook nog een eigen leven.”
Hij zei: “Dat klinkt wel hard.”
Dat kwam binnen, want ik bén niet hard. Mijn eigen moeder heeft jaren thuis gewoond met hulp van de wijkverpleging en later de Wmo. Ik heb genoeg gedaan. Misschien juist daarom weet ik hoe het gaat: voor je het weet, schuif je je hele agenda op en bestaat je week uit zorgen, regelen, wassen, koken en aanhoren dat het “maar tijdelijk” is.
En precies dat gebeurde.
Eerst gingen we op woensdag. Toen werd het woensdag en donderdag. Toen belde zijn vrouw op maandag al: “Kunnen jullie dinsdag ook komen? Ik heb vannacht geen oog dichtgedaan.” Mijn man zei altijd ja. Soms zonder het tegen mij te zeggen. Dan kwam ik thuis van mijn werk in de bibliotheek en zei hij: “Tas staat al klaar, we rijden zo.”
Daar zat ik dan weer in een rijtjeshuis in Nieuwegein op een opklapstoel groente te snijden, terwijl mijn man boven hielp met douchen of tillen. En ik snap echt wel dat dat nodig was. Alleen werd er gedaan alsof het vanzelfsprekend was dat wij dat deden.
Zijn vrouw zei vaak: “Jullie zijn een redding.” Maar als ik voorzichtig begon over thuiszorg, werd ze stug. “Nee, geen zin in weer een nieuw gezicht aan het bed. Vorige keer bij mijn zus ging dat ook van alles mis. Bovendien kennen jullie ons.”
Ik zei een keer: “Maar wij zijn geen professionals.”
Toen zei ze: “Nee, maar wel vrienden.”
Daar kon ik dan weer weinig tegenin brengen zonder me schuldig te voelen.
Wat ik mijn man kwalijk nam, was niet alleen dat hij zo loyaal was. Het was ook dat hij thuis deed alsof ik degene was die moeilijk deed. Terwijl hij de leuke kant van helpen had gekozen. Hij zat met zijn vriend voetbal te kijken, haalde medicijnen op bij de apotheek, reed hem naar het St. Antonius. Ondertussen hing ik wassen op, maakte bedden schoon, deed boodschappen bij de Jumbo en luisterde naar zijn vrouw die haar zorgen eruit gooide. Ook begrijpelijk, maar ik ging kapot van die constante spanning.
Op een zondag zei ik: “Als jij daar zo graag wilt helpen, prima. Maar dan niet automatisch ook namens mij.”
Hij zei: “Dus ik moet kiezen tussen jou en hem?”
Ik zei: “Nee. Maar wel tussen redelijkheid en grenzeloosheid.”
Dat liep uit de hand. Hij vond dat ik alleen nog in termen van privacy en rust dacht. Ik vond dat hij aan het doen was alsof hij een morele held was over mijn tijd heen.
Toen zei hij iets wat me nog steeds steekt: “Jij hebt makkelijk praten, jij hebt nooit echt een hechte vriendschap met een man gehad zoals dit.”
Ik zei: “En jij hebt makkelijk praten, want jij laat het vuile werk bij mij liggen.”
Daar schrok hij zichtbaar van, maar het was wel waar. Alleen was het ook niet het hele verhaal.
Want als ik eerlijk ben: ik had zelf ook steken laten vallen. In plaats van meteen duidelijk nee te zeggen, ben ik te lang meegegaan om de lieve vrede te bewaren. Ik kookte extra, nam schone handdoeken mee, appte zijn vrouw bijna dagelijks. Daardoor leek het natuurlijk alsof ik akkoord was. Dat was ik niet echt, maar ik deed wel zo. En ik heb ook tegen die vriendin nooit uitgesproken hoe zwaar ik het vond. Ik wilde niet de ongezellige zijn.
De omslag kwam drie weken geleden. Zijn vriend was gevallen in de badkamer. Niks gebroken gelukkig, maar wel complete paniek. Mijn man was daar al. Hij belde mij op mijn vrije ochtend. “Kom je? We redden het niet met z’n tweeën.”
Ik stond op het punt naar de kapper te gaan en daarna met een oud-collega te lunchen. Voor het eerst in weken iets voor mezelf. Ik hoorde mezelf zeggen: “Nee. Ik kom niet. Regel een huisarts, de huisartsenpost of thuiszorg, maar ik kom niet.”
Hij hing boos op.
’s Avonds was het ijzig thuis. Hij zei: “Ik heb me vandaag voor hem geschaamd. Maar nog meer voor jou.”
Toen knapte er iets bij mij. Ik zei: “En ik schaam me ervoor dat jij al maanden doet alsof mijn grenzen een karakterfout zijn.”
De volgende dag ben ik zelf met zijn vrouw gaan praten, zonder mijn man erbij. Gewoon aan haar eettafel. Ik heb gezegd: “Ik vind jullie lief, en ik gun jullie alle hulp, maar dit houden wij niet vol. Ik zeker niet. Jullie mogen professionele hulp weigeren, maar dan kun je niet verwachten dat wij dat gat onbeperkt vullen.”
Ze begon eerst te huilen en zei dat ze bang was dat onbekenden alles zouden overnemen. Toen vertelde ze pas iets wat ik nog niet wist: dat ze al twee keer een gesprek met de wijkverpleegkundige had afgezegd omdat haar man telkens boos werd en zei dat hij geen patiënt in eigen huis wilde zijn. Mijn man wist dat blijkbaar wel, maar had het mij niet verteld omdat hij dacht dat ik dan “met instanties zou gaan gooien”.
Daar werd ik weer kwaad om. Niet eens alleen op hen, maar ook op mijn man. Want dan vraag je dus niet alleen hulp, dan hou je bewust een andere oplossing buiten de deur en schuif je de gevolgen door naar vrienden.
Sindsdien is het nog steeds niet gezellig. Mijn man gaat nog wel, maar minder. Eén vaste dag per week, zonder overnachting. Ik ga hooguit nog mee voor een kop koffie of als er echt iets is, maar niet meer standaard. Er loopt nu eindelijk een aanvraag via de huisarts en de wijkverpleging komt kennismaken. Mijn man vindt nog steeds dat ik te hard ben geweest in de manier waarop. Ik vind dat hij te lang over mijn grens heen is gelopen in naam van vriendschap.
En toch snap ik hem ook wel. Als hij zelf ziek zou worden, zou hij ook hopen dat een vriend niet wegkijkt. Maar ik vind nog steeds dat helpen iets anders is dan je eigen leven half opgeven, zeker als daar thuis ook nog iemand naast je staat die eronder lijdt.
Ik vraag me oprecht af: ben ik nou egoïstisch omdat ik een grens trek, of is het onredelijk om van je partner te verwachten dat die structureel meedraait in de zorg voor jouw beste vriend?