‘Als jij nu al naar Zeeland vertrekt, voelt het alsof je niet alleen het huis koopt, maar ook afstand van mij neemt’

‘Ik heb die makelaar gewoon teruggebeld,’ zei mijn man terwijl hij zijn jas nog aanhad. ‘Er komt volgende week een bezichtiging vrij in Zoutelande. Als we blijven wachten, zijn we weer te laat.’

Ik stond in de keuken met mijn telefoon in mijn hand, net nadat mijn broer voor de derde keer die ochtend had gebeld om te vragen waar zijn pinpas was. Die lag gewoon in de bestekla, waar hij hem zelf had neergelegd ‘zodat niemand hem zou stelen’.

Ik zei: ‘Wij gaan nu nergens bezichtigen.’

Hij keek me aan en zei heel vlak: ‘Nee, jij niet. Ik misschien wel.’

Dat kwam harder aan dan ik wil toegeven.

Wij praten al jaren over kleiner wonen aan de kust. Geen groot rijtjeshuis meer, geen trap die steeds zwaarder wordt, gewoon een appartement of klein huisje in Zeeland, beetje wandelen, marktje, koffie halen, eindelijk tijd. We hebben allebei altijd gewerkt. Ik in de thuiszorg, later nog een paar jaar op de administratie van een huisartsenpraktijk. Hij in de techniek. We hebben zuinig geleefd, afgelost, bijna alles netjes gedaan.

Alleen kwam twee jaar geleden mijn broer ertussen. Niet als last, zo bedoel ik het niet, maar wel als realiteit. Eerst kleine dingen. Rekeningen die bleven liggen. Een pan op het vuur vergeten. Twee keer in dezelfde week bij de huisarts omdat hij dacht dat het een andere dag was. Uiteindelijk onderzoek via de geheugenpoli in het ziekenhuis. Nog geen zware dementie, wel duidelijk beginnend. Sindsdien ben ik degene die alles regelt.

Mijn man zegt vaak: ‘Jij regelt niet alleen veel, jij regelt álles.’ En daar heeft hij ook gelijk in.

Ik doe de boodschappen, ga mee naar afspraken, houd contact met de wijkverpleging, heb contact met de casemanager dementie, ik check zijn medicatie en ik kijk of de post niet blijft liggen. Mijn broer heeft geen kinderen. Andere familie woont in Groningen en Limburg. Die bellen wel en zeggen ook echt niet niks, maar praktisch sta ik hier alleen.

Mijn man zei laatst: ‘Waarom moet jouw pensioen eruitzien als een verlengstuk van jouw oude werk in de zorg?’

Ik werd boos en zei: ‘Omdat het mijn broer is, niet een cliënt.’

Toen zei hij: ‘En ik ben jouw man, of telt dat nu minder?’

Daar had ik op dat moment geen antwoord op, dus ik ben gaan afwassen. Kinderachtig, maar zo gaat dat soms.

Het lastige is: hij heeft niet helemaal ongelijk. We zouden eerst vorig jaar al gaan kijken in Vlissingen en Domburg. Toen had mijn broer net een slechte periode en heb ik afgezegd. Daarna zouden we in het voorjaar een weekend gaan, maar toen was er gedoe met zijn bankzaken omdat hij was vergeten dat hij al automatische incasso had stopgezet. Weer afgezegd. Elke keer zei ik: ‘Even niet, straks wel.’

Ik snap nu ook wel dat ‘straks’ voor mijn man is gaan voelen als ‘nooit’.

Maar wat hij niet ziet, of niet wíl zien, is dat mijn broer thuis nog redelijk gaat zolang iemand het overzicht houdt. De casemanager heeft wel eens dagbesteding genoemd en ook later misschien kleinschalig wonen, maar mijn broer raakt nu al in paniek als er iemand onverwacht aan de deur staat. Als ik dan hoor: ‘Je moet het ook los durven laten,’ dan denk ik alleen maar: makkelijk praten als jij daarna gewoon naar het strand wil.

Dat heb ik ook letterlijk gezegd. Niet netjes.

Hij werd daar heel stil van en zei later: ‘Denk jij nou echt dat dit voor mij alleen om een strandwandeling gaat? Ik wil nog iets van óns leven overhouden voordat wij zelf degene zijn die zorg nodig hebben.’

Dat kwam wel binnen.

Toch ging het mis toen hij een paar weken geleden ineens met Funda-openingen aan tafel zat. Appartement in Breskens, klein maar netjes, lift, balkon. Hij zei: ‘Luister, ik denk dat we het anders moeten doen. We kunnen dat huis nu kopen. Ik ga alvast wat vaker daarheen. Jij komt wanneer het kan, en later zie je wel.’

Ik vroeg: ‘Bedoel je een soort proefscheiding met zeezicht?’

Hij zei meteen: ‘Doe niet zo overdreven.’

Maar voor mij voelde het precies zo.

Ik heb gezegd: ‘Als jij nu al apart gaat wonen, ook al noem je het anders, dan kies je dus. Dan laat je mij hier zitten met alles.’

Hij zei: ‘Nee, jij kiest al twee jaar. Alleen noem jij het plicht.’

Dat was een hele nare avond.

Wat ik hem toen pas verteld heb, en misschien veel eerder had moeten doen, is dat ik banger ben dan ik laat merken. De specialist had bij de laatste afspraak voorzichtig gezegd dat het waarschijnlijk sneller zal gaan dan mijn broer zelf doorheeft. En ik heb ook al een keer meegemaakt dat hij ’s avonds buiten liep en niet meer wist in welke straat hij woonde. Ik heb dat thuis kleiner gemaakt. Ik zei dat het ‘een vergissing’ was. Eigenlijk omdat ik bang was dat mijn man meteen zou zeggen: zie je wel, het gaat niet meer, nu moet hij naar een verpleeghuis of kleinschalig wonen.

Mijn man was daar heel boos over. Niet schreeuwen, maar die stille boosheid. Hij zei: ‘Dus jij houdt informatie achter en ondertussen verwacht je wel dat ik begrip heb voor keuzes die ik niet eens op basis van het hele verhaal mag beoordelen?’

Daar had hij gelijk in. Ik heb dingen klein gehouden omdat ik zelf niet wilde toegeven dat het minder goed ging.

Sindsdien hebben we wel met de casemanager en de huisarts om tafel gezeten. Er is nu eindelijk dagbesteding aangevraagd en er komt meer thuisondersteuning. Ook is besproken dat ik niet de enige contactpersoon moet zijn. Een nicht uit Limburg gaat de financiële administratie op afstand mee oppakken. Dat had eigenlijk allang gemoeten, maar ik had steeds het idee dat ik alles zelf moest dragen als ik wilde voorkomen dat mijn broer ‘weggestopt’ werd. Misschien heb ik dat woord ook te vaak gebruikt. Daar werd iedereen defensief van, ook mijn man.

Alleen is het probleem nog niet weg. Mijn man zegt nu: ‘Ik wil best wachten, maar niet eindeloos en niet zonder plan.’ En eerlijk is eerlijk, dat vind ik redelijker dan hoe ik het eerst hoorde. Tegelijk merk ik dat ik nog steeds denk: als ik een stap terug doe, laat ik mijn broer vallen.

Mijn man zei gisteren: ‘Ik vraag niet of jij je broer laat vallen. Ik vraag of je ophoudt jezelf helemaal ertussen te gooien.’

Misschien zit daar precies de pijn. Ik weet niet meer goed waar helpen ophoudt en mezelf wegcijferen begint. En ik weet ook niet of hij geduld verliest, of gewoon realistischer is dan ik.

Ik houd van mijn man, en ik laat mijn broer ook niet zomaar los. Maar op deze manier trek ik het ook niet nog jaren. Wat zouden jullie doen in mijn situatie: eerst je huwelijk beschermen en meer zorg uit handen geven, of juist blijven helpen zolang het nog kan?