Sinds Anja ziek is, lijkt mijn huwelijk ineens minder vanzelfsprekend dan onze vriendschap
Ik had nooit gedacht dat ik mijn agenda zou gaan verbergen voor mijn eigen man.
Niet echt verbergen misschien. Maar als Kees vraagt wat ik morgen doe, hoor ik mezelf tegenwoordig eerst zeggen: „Even kijken.” Terwijl ik allang weet dat ik om half negen bij Anja voor de deur sta, met een pan soep op schoot en een tas met schone pyjama’s die ik gisteren voor haar heb meegenomen.
Anja en ik kennen elkaar sinds 1988. Onze mannen speelden toen samen tennis bij de vereniging in Amersfoort. Ik weet nog dat ik haar op een zaterdagmiddag ontmoette in het clubhuis, toen het buiten miezerde en iedereen naar natte sportkleding rook. Zij had net als ik een hekel aan tennis, bleek later. We gingen vooral mee voor de koffie en omdat onze kinderen toen klein waren en het huis op zaterdag anders ontplofte.
Daarna werd het vanzelf iets groters. Vakanties op de Veluwe, eerst met drie kinderen op de achterbank en later met z’n vieren in een huisje waar altijd te weinig glazen waren. Wekelijks eten. Om en om. Henk maakte standaard saté, Kees zijn veel te zoute lasagne, Anja en ik deden de rest. Toen de kinderen uit huis waren, bleven de donderdagavonden. Dat was eigenlijk het vaste punt van de week.
Sinds we met pensioen zijn, waren die avonden nog belangrijker geworden. We zouden vaker weggaan. Met de camper naar Frankrijk, zeiden Kees en ik. Niet maandenlang, maar gewoon: geen schema, geen wekker, ergens een marktje pakken en kijken waar we uitkomen. We hebben die camper vorig voorjaar gekocht. Tweedehands, wit met een klein deukje bij de achterlamp. Kees poetste hem elk weekend alsof hij nieuw was.
In november kreeg Anja de uitslag. Uitgezaaide alvleesklierkanker. Ik kan dat nog steeds nauwelijks normaal opschrijven.
De eerste weken waren chaotisch. Henk, die altijd alles regelrecht en praktisch heeft aangepakt, wist ineens niet waar hij formulieren moest zoeken, wanneer hij het ziekenhuis moest bellen of hoe laat Anja haar medicijnen moest nemen. Hij vroeg ook niet veel. Dat maakte het misschien juist erger. Hij zei dan: „Als je tijd hebt, zou je misschien…” en dan stond ik al in de gang met mijn jas aan.
Eerst reed ik alleen mee naar het ziekenhuis, omdat Henk zelf een oogonderzoek had. Daarna bracht ik een keer boodschappen. Toen kookte ik een paar porties omdat Anja niets verdroeg van wat Henk maakte. Hij had een enorme pan stamppot boerenkool gekookt, goed bedoeld, terwijl zij alleen nog heldere soep en yoghurt weg kreeg. We hebben er later nog om gelachen, Anja en ik. Heel even dan.
Maar inmiddels ga ik bijna elke dag. Soms is het maar een uur. Soms zit ik er van tien tot vijf omdat er een afspraak uitloopt, of omdat Anja na de chemo niet alleen wil zijn. Ik vouw was op, ik zet een wasje aan, ik luister naar haar als ze bang is. Of ik zit gewoon naast haar terwijl ze slaapt. Dat laatste voelt het minst nuttig, maar als ik weg wil gaan, opent ze soms één oog en vraagt ze: „Ben je er nog?”
Dan kan ik toch niet zeggen dat ik naar huis moet omdat Kees graag voor zes uur warm wil eten.
Kees heeft in het begin nergens moeilijk over gedaan. Hij bracht zelfs een keer de auto van Henk naar de garage en hij heeft de schutting bij hen vastgezet na die storm in januari. Maar de laatste maand is hij stiller geworden. Niet boos op een duidelijke manier. Meer dat hij ’s avonds de televisie aanzet zonder te vragen hoe mijn dag was, of dat hij zijn bord in de vaatwasser zet en daarna boven gaat rommelen.
Vorige week donderdag had ik vergeten dat we met onze oude wandelgroep hadden afgesproken. Dat was niet expres. Ik kreeg die ochtend een bericht van Henk dat Anja zo misselijk was en dat hij haar niet alleen durfde te laten omdat hij naar de apotheek moest. Ik heb de wandelgroep afgezegd en ben gegaan.
Toen ik thuiskwam, lag er een briefje op het aanrecht. Kees was naar de kroeg bij het station, waar ze met die groep uiteindelijk iets waren gaan drinken.
Op het briefje stond: ‘Ik snap dat Anja je nodig heeft. Ik mis alleen mijn vrouw.’
Ik heb er misschien te lang naar gekeken. Toen werd ik juist kwaad. Alsof ik gezellig ergens koffie zat te drinken. Alsof ik dit allemaal voor mijn plezier deed.
Hij kwam pas tegen tienen thuis. Niet dronken, maar wel met die rode wangen die hij krijgt na twee speciaalbiertjes.
„Dat briefje was kinderachtig,” zei ik.
Hij trok zijn jas uit en hing hem heel netjes op. Dat doet hij juist als hij iets vervelends gaat zeggen.
„Misschien. Maar jij bent er nooit meer.”
„Nooit meer is onzin.”
„Je bent er lichamelijk wel. Je zit de hele avond op je telefoon omdat Henk appt. Of je zegt tijdens het eten dat je morgen vroeg weg moet. En als ik iets over die camper zeg, kijk je alsof ik een egoïst ben.”
Ik zei dat hij geen idee had hoe het daar was. Dat Anja soms niet eens zelf naar de wc kon. Dat Henk er ook doorheen zat. Ik hoorde mezelf praten en dacht tegelijk: hij weet het natuurlijk wel. Hij heeft Anja ook zien afvallen. Hij is ook bij haar geweest.
„Ik zeg niet dat je niet moet helpen,” zei hij. „Ik zeg dat dit niet onbeperkt kan. We zijn geen zorgorganisatie, Marleen.”
Dat woord, onbeperkt, maakte me woest. Anja heeft geen onbeperkte tijd. Dat is juist het hele punt.
Ik heb die nacht op de logeerkamer geslapen. Wat belachelijk is, want we wonen in een rijtjeshuis en je hoort elkaar door de muur heen omdraaien. De volgende ochtend stond Kees beneden koffie te zetten. Hij had mijn brood al gesmeerd, zoals altijd. Oude kaas, komkommer, beetje peper. Ik moest daar bijna van huilen en ik heb het niet gedaan.
Sindsdien proberen we er rustig over te praten, maar rustig betekent vooral dat we allebei voorzichtig woorden vermijden. Kees vindt dat ik vaste dagen moet afspreken: bijvoorbeeld maandag, woensdag en vrijdag. De andere dagen kan Henk familie inschakelen, zegt hij, of thuiszorg bellen als er verzorging nodig is. Hun dochter woont in Zwolle en komt wanneer ze kan, maar zij werkt vier dagen en heeft zelf twee pubers. Hun zoon woont in Eindhoven en is eerlijk gezegd nooit zo betrokken geweest.
Ik weet dat Kees niet ongelijk heeft. Ik ben ook moe. Soms zit ik in mijn auto voor hun huis en hoop ik heel even dat er niemand opendoet, zodat ik kan zeggen dat ik er geweest ben en weer naar huis kan. Daarna schaam ik me meteen. Anja heeft mij jarenlang geholpen zonder dat ik daarom hoefde te vragen. Toen mijn moeder dement werd, zat zij met me bij het verpleeghuis en luisterde ze naar precies dezelfde verhalen die ik nu zelf zo vaak vertel.
Maar zij had toen geen zieke man thuis. Geen pensioenplannen die langzaam stilliggen. Misschien maakt dat verschil. Misschien zoek ik redenen om geen verschil te hoeven maken.
Afgelopen maandag zei ik tegen Anja dat ik niet meer elke dag kon komen. Mijn stem klonk vreemd, alsof ik iets zakelijks meedeelde. Ze keek naar haar handen en zei: „Natuurlijk niet, lieverd. Je hebt je eigen leven.”
Toen begon Henk in de keuken veel te hard met kopjes te schuiven. Ik weet niet of hij het gehoord had.
Anja vroeg daarna of ik vrijdag mee wilde naar de oncoloog. Henk moet dan naar de tandarts; een kies afgebroken. Ik zei ja, bijna voordat ze uitgesproken was.
Thuis vertelde ik het aan Kees. Hij knikte alleen en vroeg hoe laat we weg moesten. Niet wij, zei ik nog, ik.
„Ik weet het,” zei hij. „Ik vroeg hoe laat jij weg moet.”
De camper staat inmiddels onder een hoes op de stalling in Leusden. Kees heeft vorige week de verzekering voor de zomerrit nog niet opgezegd. Ik zag de mail daarover toevallig op zijn laptop toen hij mij vroeg iets uit te printen. Hij heeft hem gemarkeerd als ongelezen.
Vanmorgen heb ik voor het eerst twee adressen van vrijwillige thuishulp opgezocht. Nog niet gebeld. De telefoonnummers staan op een kladblaadje naast de fruitschaal. Kees heeft er niets over gezegd. Hij heeft alleen een lege plek vrijgemaakt op de koelkastdeur en het briefje met een magneet vastgezet.