De vakantiepot waar onze vriend niets van mocht weten
Ik wist niet dat een Excel-bestand zoveel kapot kon maken.
Het stond open op de laptop van Kees, op een zaterdagmiddag in maart. We waren bij hem en Marjan om de vakantie door te spreken, zoals we dat al jaren doen. Niet eens elk jaar even enthousiast, maar wel trouw. Eind juni, een groot huis in de Dordogne of de Luberon, zes stellen, zwembad, veel te veel wijn en de vaste discussie wie er op de heenweg een koelbox meeneemt.
Dit jaar hadden we een villa gevonden met twaalf slaapkamers, een buitenkeuken en zo’n oprijlaan waar je je bijna ongemakkelijk rijk bij voelt. Vierduizend zoveel per stel, voor twee weken, zonder benzine en restaurants. Vroeger vonden we dat een belachelijk bedrag. Inmiddels zijn de meesten met pensioen of werken minder, de kinderen zijn de deur uit, en het was een soort traditie geworden om één keer per jaar niet op de prijs van de rosé te letten.
Kees liep naar de schuur om stoelen te halen. Zijn laptop bleef op tafel liggen. Ik keek niet bewust mee, dat zeg ik er maar bij. Maar het bestand heette letterlijk: ‘Frankrijk Henk discreet’.
Onder de namen van iedereen stonden bedragen. Bij ons stond er niets achter. Bij Kees en Marjan duizend euro. Bij Rob en Els ook. Er was een totaalbedrag en daarnaast: ‘niet bespreken waar H. bij is’.
Ik voelde meteen iets vervelends in mijn buik. Niet omdat ik Henk niet gun dat hij mee kan. Juist niet. Henk is sinds de brugklas bevriend met Kees en Rob. Ik ken hem sinds mijn vijfentwintigste. Hij is degene die bij mijn vader in het ziekenhuis kwam zitten toen ik zelf naar huis moest om de kinderen van school te halen. Hij kan irritant lang over parkeerplaatsen klagen, maar hij staat er ook als het nodig is.
Mijn vrouw Judith zag aan mijn gezicht dat er iets was.
‘Wat is er?’ vroeg ze zacht.
Ik draaide de laptop iets naar haar toe.
Ze las het, kneep haar lippen op elkaar en zei alleen: ‘O nee.’
De laatste jaren waren voor Henk beroerd geweest. Zijn scheiding was duurder uitgevallen dan hij ooit had verwacht. Daarna had hij geld gestoken in een bedrijfje van de zoon van zijn broer, iets met laadpalen en een platform. Hij had er altijd vaag over gedaan. “Komt wel goed,” zei hij dan, met zo’n lach die niet echt een lach was. Vorig najaar hoorden we dat het bedrijf failliet was.
Hij woont nu in een huurappartement in Nieuwegein, kleiner dan het huis waar hij met zijn ex woonde. Hij werkt nog drie dagen per week bij een technische groothandel, hoewel hij eigenlijk eerder wilde stoppen. We wisten allemaal dat hij krap zat. Maar hoe krap, daar vroeg niemand naar. Ook ik niet.
Toen Kees terugkwam, heb ik de laptop dichtgeklapt en gevraagd wat dit moest voorstellen.
Hij keek eerst naar het scherm, toen naar mij. Niet boos. Vooral betrapt.
‘We wilden het nog vertellen,’ zei hij.
‘Aan Henk?’ vroeg Judith.
‘Nee, natuurlijk niet aan Henk.’
Marjan kwam uit de keuken met een schaal kaasblokjes en bleef halverwege staan. Ze wist ervan, zag ik meteen.
Kees zei dat Henk had afgezegd omdat hij “even andere prioriteiten” had. Rob had hem later apart gesproken. Henk had niet om geld gevraagd. Hij had zelfs gezegd dat hij het iedereen gunde, maar dat hij dit jaar oversloeg. Toen hadden de anderen bedacht dat ze het verschil wel konden bijleggen. Niet alleen het huis, ook zijn aandeel in de boodschappenpot en een deel van de diners.
‘Hij hoeft niets te weten,’ zei Marjan. ‘Hij verdient toch ook gewoon een fijne vakantie?’
Dat woord, gewoon, maakte me kwaad.
‘Maar hij betaalt dan niet gewoon mee,’ zei ik. ‘Hij denkt dat hij dat wel doet, of hij denkt misschien dat hij een uitzondering krijgt zonder te weten waarom. Dat is toch verschrikkelijk?’
Kees zuchtte. ‘Pieter, je maakt het groter dan het is.’
‘Nee. Jullie maken hem afhankelijk zonder dat hij daar ja tegen kan zeggen.’
Judith was rustiger dan ik. Dat is ze meestal als ik eenmaal op stoom kom. Ze stelde voor om gewoon een minder duur huis te nemen. Geen villa met buitenkeuken. Een gîte, iets kleiner, desnoods een week in plaats van twee. Dan kon Henk zelf beslissen of hij het kon betalen, zonder dat er achter zijn rug om een potje voor hem bestond.
Marjan keek alsof we hadden voorgesteld de hond buiten te sluiten.
‘Maar dit is ónze vakantie,’ zei ze. ‘Dit doen we al jaren zo.’
Daar zit natuurlijk ook iets in. Voor hen was het niet alleen luxe. Het was een ritueel. De vaste markt op maandagochtend. De lange tafel onder de plataan. Rob die op de tweede avond altijd beweert dat hij het vlees beter kan grillen dan de eigenaar van het huis. We zijn geen jongeren meer die makkelijk alles omgooien. Juist die twee weken houden de groep bij elkaar.
In de appgroep werd het daarna snel lelijker dan nodig. Niet met scheldwoorden, zo zijn we niet, maar met van die nette berichten waar je toch de kou van voelt.
Els schreef dat het om vriendschap ging en niet om boekhouden.
Judith antwoordde dat vriendschap misschien juist betekende dat je iemand niet behandelt als een project.
Rob stuurde: ‘Henk wil geen medelijden. Daarom hoeft hij het niet te weten.’
Ik typte eerst dat dit precies het probleem was. Daarna heb ik het weer verwijderd. Ik was bang dat ik Henk zelf zou verraden door te veel te zeggen.
Een week later belde Henk mij. Gewoon, dacht ik eerst. Hij wilde weten of ik nog steeds die oude Renault had, omdat zijn buurman misschien een andere auto zocht. Pas na een paar minuten zei hij: ‘Ik hoor dat er gedoe is over Frankrijk.’
Ik vroeg wie dat had gezegd.
‘Niemand rechtstreeks. Maar jullie kennen elkaar te lang om normaal te doen als er niks speelt.’
Ik had kunnen liegen. Ik heb zelfs een paar seconden naar mijn gereedschapskist gekeken alsof daar een antwoord in lag. Toen zei ik dat we het hadden gehad over goedkoper gaan.
Hij bleef stil.
‘Omdat ik?’ vroeg hij uiteindelijk.
‘Niet alleen omdat jij…’ begon ik, en toen wist ik al dat het laf klonk.
Henk zei dat hij geen liefdadigheid wilde en ook geen groepsstemming over zijn portemonnee. Hij zei het zonder boosheid, en dat maakte het erger. Hij had zijn afmelding al klaarstaan, vertelde hij. Hij wilde niemand hun vakantie afpakken.
‘Maar als iedereen minder luxe wil omdat ik blut ben, dan neem ik óók iets van jullie af,’ zei hij. ‘Dat wil ik niet.’
Ik zei dat hij niets afpakte. Dat meende ik ook. Alleen kreeg ik hem niet overtuigd.
Sindsdien is de villa alsnog geboekt. Henk gaat mee. Tenminste, dat zegt hij. De pot bestaat nog steeds, al weet ik niet precies wie er nu nog inlegt. Judith en ik hebben ons niet afgemeld, ondanks wat ik in een kwaad moment dreigde. Veertig jaar vriendschap gooi je niet weg omdat je het oneens bent over één vakantie, al voelt het soms alsof het over veel meer gaat.
Vorige week stuurde Henk in de app een foto van een nieuwe zwembroek die hij in de uitverkoop had gekocht. Er kwamen meteen lachende reacties en opmerkingen over zijn bleke benen.
Ik heb ook een lachje gestuurd.
Daarna heb ik mijn telefoon op tafel gelegd en een tijdlang naar buiten gekeken, naar onze achtertuin die nodig gedaan moest worden. Ik weet nog steeds niet of ik hem beschermd heb, of juist iets heb stukgemaakt dat de anderen met goede bedoelingen probeerden vast te houden.