Mijn man is het gezicht van onze biologische winkel, maar online herkent niemand hem meer
Ik wist eerst niet eens dat zijn profielfoto openbaar stond.
Het was een foto die ik zelf had gemaakt, jaren geleden. Arie met een houten kist appels voor zich, zijn handen vies van de grond, zo’n scheve lach. Die foto stond ooit op de Facebookpagina van onze winkel. Later had hij hem blijkbaar ook gebruikt voor een account op X. Ik zit niet op X. Ik heb genoeg aan de nieuwsbrief, de bestellingen en de administratie, eerlijk gezegd.
Onze winkel ligt naast de boerderij aan de rand van Langenboom, in Noord-Brabant. Geen enorm bedrijf. We hebben een kas, wat kippen, groente van eigen land en producten van boeren uit de buurt. Mensen komen voor eieren, maar blijven vaak een kwartier praten. Arie kent de namen van de kinderen, vraagt naar een operatie van iemands man, legt uit waarom de courgettes dit jaar zo krom zijn. Hij is daar goed in. Veel beter dan ik.
Ik regel de inkoop, de facturen, de planning en alles wat achter de schermen misgaat. Arie staat op zaterdag bij de kassa met zijn blauwe schort en maakt dat mensen terugkomen.
Op een dinsdagmiddag kwam Femke binnen. Ze woont twee straten verderop en haalt al jaren haar groentetas bij ons. Ze stond niet bij de aardappels te kijken zoals anders. Ze had haar telefoon in haar hand en zei: “Marjan, mag ik iets naars vragen?”
Ik dacht dat er weer iets mis was met de verpakking van de havermelk.
Ze draaide haar scherm naar me toe. Bovenaan stond Arie zijn naam. Daaronder een lange discussie over stikstof en klimaatbeleid. Ik snapte niet alles meteen, het waren reacties op reacties, met van die gebruikersnamen en afkortingen. Maar ik herkende zijn manier van schrijven. Korte zinnen. Veel uitroeptekens als hij zich vastbijt.
Hij noemde mensen die zich zorgen maakten over het klimaat ‘klimaatgelovigen’. Hij schreef dat beleidsmakers “het platteland kapotmaken voor een modieuze hysterie”. Er stond ook iets over jonge activisten die volgens hem “maar eens een winter op een boerderij moesten werken in plaats van met hun kartonnen bordjes deugen”.
Ik vond het lomp. Vooral omdat hij reageerde op een meisje dat, zo te zien, had geschreven dat ze bang was voor de toekomst. Arie schreef: “Dan moet je minder bang gemaakt worden door types die aan angst verdienen.”
Femke zei dat ze niet kwam om ruzie te maken. Dat geloof ik ook wel. Ze keek eerder verdrietig dan boos. “Maar jullie verkopen toch juist biologisch omdat jullie willen dat het anders kan?” vroeg ze.
Ik zei iets vaags over dat Arie soms ongenuanceerd is online en dat ik er met hem over zou praten. Ik weet nog dat ik een krat sinaasappels rechtzette terwijl zij praatte. Alsof die sinaasappels dringend aandacht nodig hadden.
Thuis zei Arie eerst dat hij geen idee had waar ik het over had. Toen ik de berichten liet zien, werd hij rood in zijn nek. Niet van schaamte, maar omdat hij zich aangevallen voelde.
“Dus nu mag ik geen mening meer hebben omdat we wortels verkopen?” zei hij.
“Het gaat niet om een mening over wortels.”
“Jawel. Alles wordt aan elkaar geknoopt tegenwoordig. Ik ben tegen de manier waarop Den Haag dit doet. Niet tegen schone grond of goed eten. Dat weet jij toch?”
Dat wist ik ook. Of ik dacht het te weten. Arie is degene die destijds per se wilde overstappen op biologische teelt, toen dat financieel nog lang niet zo logisch was. Hij kan uren praten over bodemleven. Hij heeft de zonnepanelen op het dak zelf doorgerekend. Maar hij is ook boos. Al jaren eigenlijk. Over regels, rapportages, controles, over boeren die verdwijnen en mensen die volgens hem geen idee hebben hoe voedsel gemaakt wordt.
Alleen online was die boosheid groter geworden dan ik thuis zag.
Hij zei dat hij na het eten soms op zijn telefoon ging “lezen”. Nu bleek dat hij in een groep zat met duizenden mensen. Hij deelde berichten, maakte filmpjes vanaf het erf en mengde zich overal in. Soms midden in de nacht. Ik voelde me stom dat ik het niet had gemerkt. Maar als je vijfendertig jaar met iemand samenwoont, zie je ook veel niet meer. Je denkt: hij zit wat te scrollen. Je zet de vaatwasser aan. Klaar.
De dagen erna kwamen er meer opmerkingen in de winkel. Niet allemaal boos. Sommige mensen zeiden juist dat Arie eindelijk durfde te zeggen wat veel boeren dachten. Een man die normaal alleen geitenkaas koopt, klopte hem op de schouder en zei: “Goed dat je je niet de mond laat snoeren.”
Maar anderen meden hem. Een jonge moeder vroeg of ik haar bestelling buiten kon zetten. Twee vaste klanten zegden de groentetas op. Eén schreef in een mail dat ze zich niet prettig meer voelde in een winkel waarvan het gezicht online mensen “wegzet als hysterisch”.
Arie wilde die mail niet lezen.
“Ze zoeken een excuus om verontwaardigd te zijn,” zei hij.
Dat maakte me misschien nog kwader dan die berichten zelf. Niet omdat ik het volledig met die klanten eens was, maar omdat hij deed alsof onze winkel alleen uit hem bestond en iedereen die het anders zag onredelijk was.
De klap kwam een week later van De Groene Schakel, onze leverancier uit Veghel. Zij leveren onder meer peulvruchten, meel en zuivelproducten die we zelf niet kunnen maken. We werken bijna twaalf jaar met hen samen. Hun inkoper, Nordin, belde mij rechtstreeks.
Hij zei dat zij berichten hadden ontvangen van klanten en dat ze onze samenwerking aan het bespreken waren. Niet omdat Arie kritiek had op beleid, benadrukte hij. “Maar de toon, Marjan. En dat hij die foto van jullie bedrijf gebruikt. Mensen verbinden het met jullie winkel. Wij kunnen niet doen alsof dat niet zo is.”
Ik zat op kantoor met een rekenmachine naast me en kon niets zinnigs terugzeggen. Als zij zouden stoppen, konden we misschien andere leveranciers vinden. Maar niet snel, niet tegen dezelfde prijs, en niet zonder dat klanten het merkten. Voor een grote supermarkt stelt dat misschien weinig voor. Voor ons was het een gat in de schappen en in onze begroting.
Die avond heb ik Arie gevraagd zijn account af te schermen en voorlopig niet meer achter de toonbank te staan. Niet voor altijd, zei ik. Tot het rustiger werd. Misschien kon hij een bericht plaatsen waarin hij uitlegde dat zijn persoonlijke opvattingen niet namens de winkel waren en dat hij begreep waarom mensen geschrokken waren.
Hij keek me aan alsof ik hem had gevraagd zijn arm af te staan.
“Dus jij kiest hen?”
Ik zei dat ik koos voor de zaak. Meteen daarna had ik spijt van die woorden, want die zaak is ook hij. Zijn rug die kapot is gegaan van het werk, zijn vader die hier vroeger nog aardappels teelde, zijn gezicht op bijna elke folder die we ooit hebben verspreid.
Maar ik dacht ook aan het gesprek met de bank vorig voorjaar, toen we de koelcel moesten vervangen. Aan onze dochter Sanne, die af en toe helpt maar absoluut niet in een bedrijf wil stappen dat voortdurend op scherp staat. Aan de twee parttimers die geen aandeel hebben in onze ruzie, maar wel hun loon nodig hebben.
Arie sliep die nacht in de logeerkamer. Of hij sliep, weet ik niet. Ik hoorde om half drie zijn telefoon trillen.
De volgende ochtend stond hij gewoon om zeven uur in de winkel, met zijn schort aan. Hij zette de koffie, hing het bord ‘open’ buiten en deed alsof er niets was gebeurd. Ik was te moe om een scène te maken waar de eerste klanten bij stonden.
Rond tienen kwam er een melding op mijn telefoon. Een nieuwe mail van Nordin. De Groene Schakel wilde nog één gesprek, met ons allebei, voordat ze een besluit namen.
Arie stond toen achter de kassa een oudere vrouw uit te leggen welke jam zonder geraffineerde suiker was. Hij lachte vriendelijk, zoals hij altijd doet. Zijn telefoon lag naast het pinapparaat, met het scherm naar beneden.
Ik heb de mail nog niet aan hem laten zien. Hij denkt dat ik achter in het kantoor de facturen doe. Misschien doe ik dat straks ook. Eerst moet ik uitzoeken hoe ik met hem naar dat gesprek ga, zonder dat het voelt alsof ik hem erheen sleep om zich te verantwoorden voor iets wat hij zelf nog steeds geen probleem vindt.
Buiten waaide het bord bij de oprit scheef. Arie liep erheen om het recht te zetten. Door het raam zag ik hem met twee handen aan de paal trekken, koppig en zorgvuldig tegelijk.