Ons huis in de Dordogne werd groter dan onze vriendschap
De foto van onze gezamenlijke keukentafel hangt nog steeds op mijn telefoon. Vier glazen rosé, een mand stokbrood, Paul die met zijn zonnebril op zijn hoofd naar de makelaar wijst alsof hij de hele Dordogne al bezit. Ik sta er ook op, naast mijn vrouw Anja. We waren 61 en 59 toen. Paul en Marleen iets jonger. We kenden elkaar al bijna dertig jaar, vanaf de camping van de kinderen in Zeeland.
Het huis was veel te groot voor ons alleen. Een oude boerderij, niet ver van Sarlat, met een schuur, een zwembad dat eigenlijk eerder een groot bad was, en slaapkamers waar nog van die zware, bruine dekens lagen. Er moest van alles aan gebeuren, maar dat hoorde bij de romantiek, vonden we toen.
We hebben allebei precies de helft ingelegd. Dat was voor mij belangrijk. Geen gedoe, geen scheve verhoudingen. We zouden een Franse notaris regelen, ieder voor vijftig procent eigenaar worden en het gebruik eerlijk verdelen. Niet op de minuut natuurlijk. We waren vrienden, geen vreemden met een Excelbestand.
In het begin ging dat ook goed. Het eerste jaar waren we er tegelijk in augustus. We maakten lange avonden mee met kaarten, veel te veel wijn en ruzie over hoe je een Franse vaatwasser aanzet. Paul kon alles. Een lekkende kraan, de wifi, een kapotte luiksluiting. Marleen kende binnen drie weken de buurvrouw, de slager, de man van de broodjeswagen en iemand die olijfbomen snoeide.
Anja en ik gingen vooral in de schoolvakanties en een paar weken in het voor- en naseizoen. Ik werkte nog drie dagen per week als teamleider bij een installatiebedrijf. Anja paste regelmatig op onze kleindochter en haar moeder woonde toen al niet lekker meer in haar vel. We konden niet zomaar zes weken weg, hoe graag we dat soms ook wilden.
Paul was net met vervroegd pensioen. Marleen werkte online voor een klein reisbureau en kon dat vanuit Frankrijk doen. Voor hen was het huis al snel geen vakantiehuis meer, maar een soort tweede leven. Dat gun je je beste vrienden. Echt.
Alleen begon ik steeds vaker eerst aan hen te vragen of een bepaalde periode uitkwam. Dat klinkt misschien onschuldig, maar op een gegeven moment merkte ik dat ik niet meer zei: ‘Wij gaan van 12 tot 26 juni.’ Ik zei: ‘Zouden jullie toevallig rond die tijd in Nederland zijn?’
Meestal waren ze er.
Soms met hun zoon en schoondochter. Soms met kennissen die wij nauwelijks kenden. Soms zaten er foto’s in onze gezamenlijke appgroep van een lange tafel in de tuin met twaalf mensen eraan. Dan stuurde Marleen erbij: ‘Het huis leeft weer!’ met zo’n hartje.
Ik drukte dan vaak op een duimpje. Anja zei er niets van, maar ik zag haar kijken als ze die foto’s bekeek. Niet jaloers, denk ik. Eerder alsof ze naar een huis keek waar wij vroeger ook bij hoorden.
Vorig voorjaar wilden we er in mei drie weken heen. Anja had eindelijk geregeld dat haar zus een deel van de zorg voor hun moeder overnam. We hadden de reis al bijna geboekt toen Paul belde.
‘Kleine tegenvaller,’ zei hij. ‘De dakdekker kan alleen in mei. En wij moeten er natuurlijk bij zijn, anders gebeurt er niks. Je weet hoe het daar gaat.’
Ik zei dat wij dan misschien juist konden helpen.
Hij bleef even stil. ‘Ja, maar dan zit je wel midden in de rommel. Niet echt ontspannend voor jullie.’
Dat “voor jullie” bleef hangen. Alsof wij gasten waren die misschien last zouden hebben van werkzaamheden in hun huis.
We zijn uiteindelijk in juni gegaan. De dakdekker was al weg, maar Paul en Marleen waren er nog steeds. De logeerkamer die wij normaal gebruikten, stond vol met dozen van hun zoon. De kleine slaapkamer aan de voorkant was voor ons klaargemaakt. Er lag een stapeltje handdoeken op bed, netjes. Ik was er zelfs dankbaar voor, en daar schaam ik me nu nog een beetje voor.
Tijdens die weken kwam het eruit. Niet in één grote knal. Meer doordat er telkens iets kleins gebeurde. Paul die zei dat de voorraadkast anders moest worden ingedeeld omdat hij ‘hier het meeste kookte’. Marleen die vertelde dat de buren ons nauwelijks kenden, maar haar wel altijd belden als er iets aan de hand was. En toen de pomp van het zwembad haperde, zei Paul: ‘Daar hebben jullie natuurlijk ook weinig last van gehad, jullie zijn er niet zo vaak.’
Ik zei: ‘We zijn er niet zo vaak omdat jullie er altijd zijn.’
Hij keek me aan alsof ik iets heel onredelijks zei.
Die avond zaten we met z’n vieren buiten. Het was nog warm, maar niemand had zin om het zwembad in te gaan. Anja had een kalender op haar telefoon geopend. Ze stelde voor om voortaan per jaar vaste blokken te verdelen. Bijvoorbeeld om en om de schoolvakanties, ieder een aantal weken naar keuze, en de rest in overleg. Heel simpel.
Marleen schudde meteen haar hoofd.
‘Maar zo werkt het huis niet,’ zei ze. ‘Wij zijn degene die hier alles draaiend houden. Paul regelt de vakmensen, ik heb contact met de mairie, met de buren. Als er een storm is, zijn wij er. Jullie kunnen niet alleen de leuke weken claimen en dan zeggen dat alles precies vijftig-vijftig moet.’
Dat stak, misschien ook omdat er een kern van waarheid in zat. Paul had inderdaad veel gedaan. Meer dan ik. Ik ben niet handig en mijn Frans is belabberd. Als er iets kapotging, belde ik meestal hem. Dat had ik te makkelijk gevonden, daar kan ik eerlijk over zijn.
Maar ik zei wel: ‘We betalen ook ieder de helft. En wij hebben nooit gezegd dat jullie daar permanent moesten zitten.’
Toen kwam het voorstel waar ik nog steeds slecht van slaap. Paul zei dat het misschien eerlijker was om de eigendomsverhouding opnieuw te bekijken. Niet puur op de aankoop, maar op werkelijk gebruik en inzet. Hij noemde geen getallen eerst. Later, via de mail, wel: zij wilden naar zeventig procent voor hen en dertig voor ons. Tegen een bedrag dat volgens hen redelijk was, maar waar je in Nederland tegenwoordig nog geen parkeerplaats voor koopt.
Anja begon te huilen toen ze die mail las. Niet om het geld. Ze zei alleen: ‘Dus al die jaren waren wij blijkbaar de mensen die mochten aanhaken als het hun uitkwam.’
Ik heb daarna te hard gereageerd. Ik stuurde terug dat als ze vonden dat ze meer recht hadden omdat ze er vaker waren, ze ons aandeel maar voor de helft van de huidige marktwaarde moesten uitkopen. Geen discussie, geen creatieve rekensom. Vijftig procent is vijftig procent.
Sindsdien is het stil. Niet helemaal stil: er gaan berichten over de energierekening, de verzekering en een lekkage bij de schuur. Zakelijk, kort. Paul sluit af met ‘groet’, terwijl hij vroeger altijd ‘maat’ schreef.
Volgende maand zouden we eigenlijk met hen en nog twee stellen in Frankrijk oud en nieuw vieren. De boodschappenlijst lag al klaar in de appgroep. Marleen heeft die inmiddels verwijderd.
Anja wil verkopen, desnoods via een makelaar. Ik wil dat soms ook. En soms denk ik aan de eerste zomer, aan Paul die op een ladder stond terwijl ik beneden deed alsof ik wist welke schroeven hij nodig had. Dan denk ik: misschien hadden we veel eerder gewoon een kalender moeten maken.
Vanmorgen kreeg ik een bericht van Paul. Of ik hem het nummer van onze Franse notaris nog een keer kon sturen. Ik heb het bericht gelezen, mijn telefoon op tafel gelegd en ben eerst maar koffie gaan zetten.