Na veertig jaar vriendschap zette één telefoontje onze gezamenlijke droom in Zuid-Frankrijk op losse schroeven

Ik had de folder al drie keer uit de mand met oud papier gehaald.

Niet omdat ik hem nog nodig had. We kenden de foto’s inmiddels uit ons hoofd: een okergeel huis net buiten Uzès, met luiken die volgens mij te blauw waren om echt te zijn, een gezamenlijke binnenplaats en twee aparte vleugels. “Privé genoeg om elkaar niet zat te worden,” had Kees gezegd, toen we er afgelopen voorjaar met z’n vieren waren wezen kijken.

Kees en Marjan, mijn man Paul en ik. We zijn allemaal 68 of 69. We kennen elkaar sinds 1983, toen onze oudste kinderen tegelijk op zwemles zaten in Amersfoort. Daarna ging het vanzelf. Kerst bij hen, Pasen bij ons. Kamperen in de Ardèche toen we nog op luchtbedden konden slapen zonder een week krom te lopen. Elkaars ouders naar het verpleeghuis gebracht. Bij elkaar aan tafel gezeten na begrafenissen, maar ook op die domme avonden waarop je zo hard lacht dat je buik pijn doet.

De kinderen zijn al jaren volwassen, verspreid over Utrecht, Zwolle en Rotterdam. Paul en ik wonen nog in het huis waar zij zijn opgegroeid. Te groot eigenlijk. Kees en Marjan hadden hun rijtjeshuis al verkocht onder voorbehoud en zouden kleiner gaan wonen, dichter bij hun dochter. De overwaarde wilden ze deels gebruiken voor die huur in Frankrijk. Geen koop, gelukkig. Dat vonden we allemaal te ingewikkeld. We zouden ieder onze eigen vleugel huren, eerst voor een halfjaar vanaf april, en daarna wel zien.

Het plan was niet om de rest van ons leven op elkaars lip te zitten. Dat werd wel eens gekscherend gezegd door de kinderen, maar zo was het niet. Het ging mij vooral om het idee dat er iemand in de buurt was. Een kop koffie zonder dat je eerst een appje hoefde te sturen. Samen naar de markt. Iemand die je begrijpt als je zegt dat je knie weer opspeelt of dat je zoon al twee dagen niet reageert.

Paul was altijd degene geweest die het minste moeite had met dat plan. Hij vond Frankrijk prachtig, maar hij kon na drie dagen al onrustig worden als er niks te regelen viel. Zelfs op vakantie zat hij mailtjes te beantwoorden voor zijn oude opdrachtgever. Hij was zijn hele werkende leven waterbouwkundig ingenieur geweest. Dijken, irrigatie, havens. De laatste tien jaar deed hij vooral advieswerk vanuit Nederland, af en toe een klusje, steeds minder.

In september werd hij gebeld door een oud-collega.

Ik stond spruitjes schoon te maken. Paul kwam de keuken binnen met zijn telefoon nog in zijn hand. Hij keek niet blij, niet onblij. Eerder alsof iemand hem had verteld dat hij morgen examen moest doen in een vak dat hij vroeger heel goed kende.

“Er is een project in Vietnam,” zei hij. “In de Mekongdelta. Klimaatadaptatie, waterbeheer. Ze zoeken iemand die twee jaar mee wil draaien als senior adviseur.”

Ik zei eerst iets praktisch. Of het betaald was. Of hij daar dan permanent moest wonen. Of ze überhaupt geen jongere konden vinden.

Hij keek naar de spruitjes in de gootsteen en zei: “Dit is precies het soort werk dat ik altijd had willen doen.”

Dat vond ik irritant. Niet omdat het niet waar was. Juist omdat het waar was.

In onze tijd samen had Paul vaker dingen laten lopen. Een baan in Brussel, omdat de kinderen nog klein waren. Een project in Indonesië, omdat mijn moeder toen ziek werd en ik het niet alleen aankon. Later nog een aanbod in Singapore, waar hij zelf nauwelijks over sprak, maar waarvan ik wist dat het hem dwarszat. Ik had hem nooit gevraagd om die dingen af te slaan. Maar hij deed het wel, en blijkbaar had ik dat in mijn hoofd langzaam veranderd in: dus nu zijn we klaar met vertrekken.

De eerste weken deden we alsof het aanbod nog heel vaag was. Hij had gesprekken via Teams. Er moesten papieren komen, een medische keuring, een verklaring omtrent gedrag. Ik hield me vast aan de kans dat het niet door zou gaan.

Tot Kees op een donderdagavond de huurcontracten in onze groepsapp zette. “Nu echt even tekenen allemaal, anders gaat het aan onze neus voorbij.”

Paul belde Kees. Niet in de groepsapp, gewoon apart. Dat was achteraf misschien al een fout.

De volgende dag vroeg Marjan of ik even koffie wilde drinken. Ze had appeltaart gehaald van de Hema, wat ze alleen deed als er iets was. Ik wist het al toen ik haar gezicht zag.

“Dus Paul gaat misschien twee jaar naar Vietnam,” zei ze.

Ik zei dat het nog niet zeker was.

“Maar jullie wisten dit wel al een tijdje.”

Dat ‘jullie’ kwam hard aan. Alsof ik samen met Paul iets achter hun rug had bekokstoofd. Ik zei dat ik zelf ook nog niet wist wat ik ervan vond. Dat was waar, maar het klonk slap.

Marjan roerde zo lang in haar koffie dat het lepeltje tegen het glas tikte. “Els, wij hebben ons huis verkocht. Kees heeft zijn vrijwilligerswerk afgebouwd omdat we dachten: straks zijn we maanden weg. Wij hebben dit gedaan omdat we erop vertrouwden dat we dit samen deden.”

Ik zei dat ze ook zonder ons naar Frankrijk konden.

Ze keek me aan alsof ik had voorgesteld dat ze maar een andere dochter moesten zoeken. “Het ging toch niet om dat huis alleen?”

Daar had ze gelijk in. En toch voelde ik ook woede, omdat niemand vroeg wat dit voor mij betekende. Alsof ik vanzelf naast Paul in een vliegtuig zou stappen en het Franse plan zonder moeite uit mijn hoofd zou wissen. Ik wilde helemaal niet naar Vietnam. De hitte, het verkeer, het idee dat ik daar twee jaar als ‘de vrouw van’ rond zou lopen terwijl hij eindelijk belangrijk werk deed. Ik schaamde me daar bijna voor, maar ik dacht het wel.

Een week later zaten we bij Kees en Marjan aan de eettafel. Er stond lasagne die niemand echt opat. Paul had die middag gehoord dat het aanbod definitief was. Startdatum: januari. Twee jaar, met een paar weken verlof tussendoor. Huisvesting geregeld. Ik mocht mee, natuurlijk, maar er was niks voor mij geregeld behalve een appartement en een visum.

Kees zei: “Je hoeft dit niet te doen, Paul.”

Heel rustig. Bijna vriendelijk.

Paul knikte, alsof hij dat zelf ook wist.

“Je hebt een goed leven hier,” ging Kees verder. “We hebben samen iets opgebouwd. Je kunt toch niet op je achtenzestigste nog doen alsof alles om werk draait?”

“Hij is achtenzestig,” zei ik. Ik weet niet waarom ik dat verbeterde. Het was zo’n onbenullig detail, maar ik wilde blijkbaar ergens grip op krijgen.

Marjan zuchtte. “Het gaat niet om zijn precieze leeftijd.”

Toen zei Paul: “Nee. Maar juist daarom wil ik het misschien wel doen.”

Er viel een stilte waarin je de koelkast hoorde brommen.

Kees keek naar mij. “En jij dan, Els? Jij wilde dit toch ook?”

Dat was het moment waarop ik iets helders had kunnen zeggen. Dat ik teleurgesteld was. Dat ik bang was om hem kwijt te raken aan een land waar ik niet thuis hoorde. Dat ik hun niet wilde verliezen. In plaats daarvan zei ik: “Ik weet het niet.”

Paul kreeg de baan en heeft hem aangenomen.

Ik ben niet meegegaan. Niet in één keer in elk geval. In februari vlieg ik voor drie weken naar hem toe, zeggen we nu. Misschien langer. Ons huis staat niet te koop. We hebben de huur van de Franse woning laten schieten, en de aanbetaling zijn we kwijt. Kees en Marjan zijn uiteindelijk met een ander stel gaan kijken naar een kleiner huisje in dezelfde streek. Marjan stuurt soms foto’s van advertenties in onze groepsapp, alsof we nog gewoon meedoen. Paul reageert meestal met een duimpje. Ik vaak helemaal niet.

Vorige zondag belde Kees. Hij vroeg of ik zin had om te wandelen. Alleen wij twee. Hij klonk ouder dan anders.

Ik zei dat ik verkouden was, wat niet helemaal gelogen was. Daarna heb ik de hele middag op de bank gezeten met die folder weer naast me. Paul was boven bezig met een lijst voor zijn vaccinaties en een wereldstekker die hij online wilde bestellen.

Hij kwam beneden en vroeg of ik thee wilde.

Ik zei ja.

Meer hebben we die avond niet besproken.