Ik raakte mezelf kwijt in mijn huwelijk — en pas toen mijn man zei dat ik ‘gewoon normaal’ moest doen, besefte ik hoeveel er al van mij verdwenen was
Ik weet niet meer precies wanneer het begon. Misschien al op onze trouwdag, heel eerlijk. Niet door iets groots. Juist door kleine dingen waar iedereen om lachte en waar ik zelf ook maar om meelachte, omdat ik geen scène wilde maken.
“Doe die gympen nou niet aan onder die jurk, Saar,” zei Jeroen toen we naar het gemeentehuis zouden gaan. “Mijn moeder krijgt een beroerte.”
Hij lachte erbij. Ik ook. Ik trok andere schoenen aan. Klaar. Onzin om moeilijk over te doen, toch?
Maar het bleef nooit bij schoenen.
Ik ben 34, kom uit Amersfoort, werk drie dagen per week in een bibliotheek in Utrecht en ik ben altijd iemand geweest met een eigen ritme. Ik hield van alleen fietsen in de regen, van op zondag laat ontbijten, van geen antwoord hoeven geven op alles. Niet afstandelijk, gewoon… mezelf. Dat was vroeger nooit een probleem.
Bij Jeroen thuis wel.
Zijn familie is warm, zeggen mensen. Hecht. Altijd samen. Verjaardagen met twintig man in een te kleine woonkamer in Nieuwegein, iedereen door elkaar heen, ooms die meteen vinden dat ze overal iets van mogen zeggen. Zijn moeder, Ingrid, die al in de gang aan mijn jas trok met: “Gezellig dat je er bent, Saar, we eten wel gewoon mee hoor, ik heb je aardappeltjes ook al opgezet.”
Ook al had ik niet gezegd dat ik bleef eten.
In het begin dacht ik: aanpassen, hoort erbij. Je trouwt niet alleen met een man, maar ook een beetje met zijn familie. Dat zei mijn eigen moeder trouwens ook. “Niet zo op jezelf zijn steeds, schat. Mensen bedoelen het goed.”
Maar goedbedoeld kan ook verstikkend zijn. Dat durfde ik toen nog niet hardop te zeggen.
Na de geboorte van onze dochter Lotte werd het erger. Veel erger. Iedereen had ineens toegang tot ons huis, tot mijn lijf, tot mijn tijd. Ingrid kwam zonder te appen langs. Jeroens zus Marieke liet opmerkingen vallen over borstvoeding, over slapen, over werken.
“Drie dagen alweer aan het werk? Poeh. Ik zou dat echt niet kunnen.”
Zo’n zin die glimlachend wordt gebracht, maar wel blijft hangen als een vlek.
Jeroen zei nooit letterlijk dat ik fout zat. Dat was misschien nog verwarrender. Hij zei dingen als:
“Laat het van je afglijden.”
Of:
“Zo zijn ze nou eenmaal.”
Of de ergste:
“Je maakt het groter in je hoofd.”
Misschien deed ik dat soms ook. Ik was moe. Ik sliep slecht. Ik huilde vaker dan ik toegaf. Er waren dagen dat ik op de wc ging zitten alleen maar om even een deur dicht te hebben. Herkenbaar voor meer vrouwen, denk ik. Maar bij mij ging er nog iets anders kapot. Ik voelde me niet meer een mens met een eigen binnenkant. Ik werd vooral gezien als moeder, schoondochter, vrouw van.
Saar zelf? Die werd lastig gevonden.
Vorig najaar wilde ik met Lotte een weekend naar mijn vader in Zwolle. Gewoon even eruit. Mijn ouders zijn gescheiden, mijn vader ziet Lotte minder vaak en hij had net een kleine operatie achter de rug. Ik zei het op dinsdag aan de keukentafel.
Jeroen keek niet eens echt op van zijn telefoon.
“Dit weekend?”
“Ja. Van vrijdag tot zondag.”
“Mam rekent erop dat we zaterdag komen eten.”
Ik zei: “Dan ga jij toch?”
Dat was stil. Niet lang, maar zo’n stilte die meteen iets verandert.
“Dus jij trekt gewoon je eigen plan?”
Ik weet nog dat de waterkoker klikte. Heel stom dat ik dat nog weet.
“Mijn eigen plan? Het is mijn vader.”
“Het is altijd iets met jouw grenzen de laatste tijd, Saar. Alsof iedereen zich aan jou moet aanpassen.”
Die kwam hard aan. Omdat ik juist al jaren het gevoel had dat ik degene was die steeds boog.
Ik zei dat ook. Niet eens heel luid. Gewoon moe.
“Ik pas me al jaren aan, Jeroen. Ik herken mezelf nauwelijks nog.”
Toen keek hij me eindelijk aan. Echt aan. En hij zei:
“Misschien moet je gewoon eens normaal doen. Iedereen maakt compromissen.”
Normaal.
Ik kan niet uitleggen waarom juist dat woord me brak. Misschien omdat er in één klap alles in zat. Dat mijn manier van zijn te veel was. Te moeilijk. Te apart. Dat rust blijkbaar alleen bestond als ik kleiner werd.
Ik ben toen niet gaan schreeuwen. Ik wou dat ik kon zeggen van wel. Ik heb alleen de waterkoker uitgezet die al uit stond. Daarna ben ik boven gaan zitten op de grond naast Lottes bedje terwijl zij sliep met één handje open, alsof de wereld nog veilig was.
En ik dacht: als ik nu blijf slikken, wat blijft er dan nog over over vijf jaar?
Die vrijdag ben ik toch naar Zwolle gegaan. Jeroen vond het kinderachtig. Ingrid stuurde: “We herkennen je de laatste tijd niet meer.” Alsof ik een rare fase had. Alsof grenzen stellen iets beschamends is.
Bij mijn vader thuis, aan zijn kleine eettafel met die lelijke bruine placemats die hij al twintig jaar heeft, vroeg hij ineens: “Ben jij wel gelukkig, meid?”
Ik begon zó hard te huilen dat Lotte ervan schrok.
Sindsdien is het niet opgelost. Misschien is dat nog het eerlijkste deel van dit verhaal. Ik woon nu tijdelijk bij mijn vader. Niet officieel uit elkaar, maar ook niet samen. Jeroen appt vooral praktisch. Over opvang. Over spullen. Eén keer schreef hij: “Ik snap echt niet waarom je alles op scherp zet.”
En ik staar dan naar zo’n bericht en denk: omdat ik mezelf nergens meer terugvond. Omdat vrede die alleen bestaat als één persoon verdwijnt, geen vrede is.
Toch twijfel ik. Elke dag wel even. Was ik te streng? Te gevoelig? Had ik meer geduld moeten hebben? Of is dat precies hoe je jezelf langzaam kwijtraakt, door steeds te denken dat jouw grens overdreven is?
Ik wil geen oorlog. Ik wilde alleen ruimte om ook nog Saar te mogen zijn.
Wanneer wordt een compromis eigenlijk een offer van jezelf?
En hadden jullie gebleven, gepraat, of ook op een dag gewoon je tas gepakt?