Na dertig jaar samen op pad wilde ik ineens alleen weg

De eerste maandag nadat ik officieel met pensioen was, zette ik om half negen nog steeds koffie alsof ik zo naar kantoor moest. Mijn tas stond niet meer klaar bij de deur. Geen laptop, geen ov-chipkaart op het kastje, geen mailtjes van collega’s met een rood uitroepteken.

Arie zat tegenover me aan de keukentafel de krant te lezen. Hij was drie maanden eerder gestopt bij de gemeente. Hij keek op en zei: “Nou, nu begint het dan.”

Ik weet nog dat ik dacht: ja. Voor mij ook.

Dat klinkt misschien vreemd, omdat we al dertig jaar bijna alles samen deden met Henk en Marjan. Onze kinderen zaten vroeger bij elkaar in de klas, we gingen naar dezelfde camping in Frankrijk, vierden oud en nieuw om en om bij elkaar en hadden zelfs een vaste wandelzondag. Als iemand ons uitnodigde, was de standaardvraag niet óf Henk en Marjan ook kwamen, maar hoe laat we bij hen zouden verzamelen.

We hadden daar nooit last van gehad. Integendeel. Toen mijn moeder overleed, stond Marjan twee dagen later met een pan macaroni voor de deur omdat ze wist dat ik anders alleen koffie zou drinken. Toen Henk na zijn reorganisatie maanden thuis zat, hielp Arie hem met zijn sollicitaties, al deed Henk uiteindelijk helemaal niets met die brieven.

We waren niet zomaar vrienden. We waren, denk ik, een soort extra familie geworden.

Maar tijdens mijn laatste jaren op kantoor was er iets in mij gaan kriebelen. Niet eens door mijn werk, ik werkte met plezier bij de administratie van een middelbare school. Alleen: ik zag steeds vaker vrijwilligers langskomen die jongeren hielpen met taal of huiswerk. Ik dacht dan: als ik ooit tijd heb, wil ik dat ook. En ik had al jaren een mapje op mijn laptop met reizen die ik nooit boekte. Georgië, Portugal, een treinreis door Tsjechië. Niet luxe. Gewoon plekken waar ik nieuwsgierig naar was.

Arie vond het allemaal leuk zolang het nog losse ideeën waren.

“Ja joh, moet je doen als we vrij zijn,” zei hij dan.

Alleen bedoelde hij met ‘we’ kennelijk iets anders dan ik.

Al snel maakten Henk en Marjan plannen voor ons pensioen. Elke woensdag koffiedrinken in de stad, eens per maand ergens lunchen, in september drie weken met de camper naar Italië. Henk stuurde in onze groepsapp al routes en Marjan had een mapje aangemaakt: ‘Italië 2025 met z’n vieren’. Ik kreeg er een benauwd gevoel van, en daar schaamde ik me ook voor.

Want het was lief. Zij verheugden zich erop. En eerlijk is eerlijk: wij hadden zelf jarenlang gezegd dat we later eindelijk alle tijd zouden hebben.

Toen kwam de gezondheid erbij.

Marjan heeft reuma, al heeft ze dat nooit groot gemaakt. De laatste tijd had ze vaker last van haar handen en knieën. Henk kreeg in het voorjaar hartkloppingen en moest langs de cardioloog. Uiteindelijk bleek het niet direct gevaarlijk, maar hij kreeg wel medicijnen en moest rustiger aan doen. Hij was daar zichtbaar van geschrokken, ook al maakte hij er grappen over.

“Nou, mijn motor loopt wat onregelmatig,” zei hij dan, terwijl hij met een biertje in zijn hand op de bank zat.

In de maanden daarna belde Marjan vaker. Soms gewoon omdat ze zich zorgen maakte. Soms omdat Henk niet mee wilde naar een afspraak of omdat ze moeite had met online iets regelen. Ik hielp haar meestal. Ik ging mee naar de huisarts toen Henk na een slechte nacht in paniek raakte. Ik zette een wachtwoordmanager op hun telefoon, wat een drama was. Arie reed een keer op zaterdag naar hun huis omdat de accu van hun auto leeg was.

Het voelde normaal. Dat doe je voor vrienden.

Maar het werd ook een verwachting die nergens werd uitgesproken. Als ik op woensdag zei dat ik naar de bibliotheek ging voor een kennismaking met het taalmaatjesproject, reageerde Marjan: “O, dan zie ik je dus niet? Ik dacht dat we koffie zouden doen.”

Niet boos. Eerder teleurgesteld. Dat was misschien nog lastiger.

In juni zag ik via de organisatie waar ik me had aangemeld een oproep voor een vrijwilligersproject in Portugal. Geen heldhaftig gedoe, gewoon drie weken helpen in een klein buurthuis bij conversatielessen Nederlands en Engels voor nieuwkomers en ouderen. Ze zochten mensen die zelfstandig waren en niet meteen in paniek raakten als een planning veranderde. Ik las die oproep wel vier keer.

Ik heb me aangemeld zonder het eerst aan iemand te vertellen. Zelfs niet aan Arie.

Toen ik werd aangenomen, stond ik in de supermarkt bij de pasta en moest ik ineens huilen. Niet hard, gelukkig. Gewoon stom met mijn bril op mijn neus en een winkelmandje aan mijn arm. Ik was blij, maar ik wist ook direct dat het gedoe zou geven.

Die avond vertelde ik het aan Arie.

Hij was eerst stil. Toen zei hij: “Drie weken? In je eentje?”

Ik zei dat ik daar juist zin in had. Dat het begeleid was, dat ik een kamer kreeg bij een gastgezin en dat ik al jaren iets wilde doen wat niet van tevoren door vier mensen besproken was.

Hij keek me aan alsof ik iets onaardigs had gezegd over Henk en Marjan.

“Maar september is toch Italië?”

“Dat weet ik.”

“En je weet hoe Henk erbij zit.”

Daar kwam het. Niet hard uitgesproken, maar wel duidelijk: als ik ging, liet ik niet alleen een vakantie schieten. Ik liet mensen zitten.

De week erna zaten we bij Henk en Marjan in de tuin. Henk was bezig met de route op zijn tablet. Marjan had al gekeken naar campings met een verwarmd zwembad, omdat haar gewrichten beter reageerden op warmte. Ik had gewacht op een goed moment, maar dat goede moment kwam niet.

Uiteindelijk zei ik het terwijl Marjan de glazen bijvulde.

Ze hield de fles halverwege stil.

“Maar… wij gaan toch in september?”

Ik legde uit wat het project inhield. Dat het maar drie weken was. Dat Arie eventueel gewoon met hen mee kon, hoewel ik al wist dat hij dat niet zou doen.

Henk zei heel zacht: “Natuurlijk moet je doen wat je wilt.”

Dat is zo’n zin waar je juist van weet dat iemand het niet meent, of misschien wel probeert te menen maar het niet kan.

Marjan knikte een paar keer. Daarna zei ze: “Ik had gewoon gedacht dat we straks meer aan elkaar zouden hebben. Nu alles wat minder vanzelf gaat.”

Ik voelde me onmiddellijk gemeen. Tegelijk voelde ik iets anders, iets waar ik al maanden niet goed naar wilde kijken: boosheid. Alsof mijn pensioen al ingedeeld was voordat ik zelf wist wat ik ermee wilde.

Thuis kregen Arie en ik voor het eerst in jaren echt ruzie. Hij zei dat ik ineens deed alsof onze vriendschap een verplichting was. Ik zei dat hij deed alsof ik alleen een leuke versie van mezelf mocht zijn zolang ik beschikbaar bleef voor iedereen.

Dat was overdreven van mij. Arie heeft ook gewoon angst. Henk is zijn oudste vriend. Ze hebben samen gevoetbald, verbouwd, kinderen opgehaald als de ander vaststond op zijn werk. Voor Arie betekent helpen blijkbaar ook: niet weggaan op het moment dat iemand minder sterk wordt.

Ik snap dat. Alleen wil ik niet dat mijn wereld kleiner wordt omdat die van hen kleiner dreigt te worden.

Vorige week heb ik de tickets naar Portugal geboekt. Daarna heb ik Marjan gebeld. Ik heb niet gezegd dat alles goed zou komen, want dat weet ik niet. Ik heb gezegd dat ik vóór die tijd wil helpen met een overzicht voor hun ziekenhuisafspraken en dat ik na terugkomst graag met haar naar de reumatoloog ga als ze dat fijn vindt.

Ze zei: “We zien wel.” Daarna hadden we het over iets onbenulligs, over de tomatenplanten die het dit jaar zo slecht doen.

De groepsapp is sindsdien opvallend stil. Arie praat nog steeds over Italië alsof er misschien een oplossing komt die niemand hoeft te kwetsen. Ik heb vanmiddag een tweedehands rugzak gekocht bij Bever. Hij staat nu in de gang, met het prijskaartje er nog aan.

Soms kijk ik ernaar en denk ik dat ik hem terug moet brengen. Soms denk ik dat ik hem meteen moet inpakken.