Na twaalf jaar kreeg ik weer een bericht van mijn zus, maar ze vroeg niet hoe het met me ging
Het bericht van mijn zus stond op een woensdagmiddag tussen een afspraakherinnering van de tandarts en een reclame voor kattenvoer. Ik heb geen kat. Ik weet nog dat detail omdat ik dat bericht drie keer heb dichtgeklikt zonder het te openen.
‘Pap ligt in het ziekenhuis. Het gaat niet goed. Als je wilt komen, moet je niet te lang wachten.’
Geen aanhef. Geen groetjes. Alleen dat.
Ik woon al twaalf jaar in Zwolle, in een huurappartement op driehoog waar ik aanvankelijk maar tijdelijk zou blijven. Ik werk bij een groothandel in sanitair, op de binnendienst. Niet spannend, wel rustig. Ik heb een paar vaste klanten die me bij mijn voornaam kennen, een vriendin gehad die twee jaar geleden is vertrokken en sindsdien eigenlijk niemand meer echt dichtbij gelaten.
Mijn vader woonde nog in het huis in Noord-Holland waar mijn zus Marieke en ik zijn opgegroeid. Een rijtjeshuis met een smalle tuin, een schuurtje dat altijd naar vocht rook en een keuken waarin de klok vijf minuten voorliep. Mijn moeder was zeven jaar geleden overleden. Naar de crematie ben ik wel gegaan. Ik zat toen achterin en ben na de koffie weggegaan voordat Marieke me kon aanspreken.
Ik had mezelf wijsgemaakt dat dat logisch was. Dat ik haar ruimte gaf. Eigenlijk was ik bang dat ze iets zou zeggen waar ik geen antwoord op had.
Toen onze moeder ziek werd, woonde ik nog in Alkmaar. Ik was net gescheiden en had schulden. Geen enorme bedragen misschien, maar genoeg om elke envelop van de deurmat te halen met een knoop in mijn maag. Ik werkte toen onregelmatig als zzp’er in de evenementenbouw. De ene maand had ik werk, de andere maand leende ik geld van mijn vader ‘tot de volgende klus’. Dat volgende kwam zelden op tijd.
Marieke woonde twintig minuten van mijn ouders af, met haar man en twee kinderen. Zij ging mee naar afspraken, regelde thuiszorg, nam mijn moeder mee om een pruik te passen toen de chemo begon. Ik kwam ook wel. Maar altijd te laat, altijd met een excuus. Een bus gemist. Een opdrachtgever. Geen geld voor benzine. Soms waren die dingen waar. Soms lag ik gewoon op de bank en kon ik het niet opbrengen om mijn moeder zo te zien.
Het ergste gebeurde in de laatste weken. Mijn vader had me geld gegeven voor een aangepaste stoel voor mijn moeder. Ik zou hem ophalen via iemand op Marktplaats. Dat was goedkoper, zei ik. Het geld ging op aan achterstallige rekeningen en twee dagen later zei ik dat de verkoper was afgehaakt.
Mijn vader geloofde me niet, denk ik. Maar hij zei niets.
Marieke wist het wel. Ik had het haar in een opwelling verteld, na drie glazen wijn in haar keuken. Ze had alleen naar me gekeken en gezegd: ‘Je begrijpt toch dat mam niet op jouw goede bedoelingen kan zitten?’
Daarna ben ik weggegaan. Eerst naar Utrecht voor werk, later naar Zwolle. Ik stuurde af en toe een kaart met kerst. Marieke reageerde niet. Mijn vader nam nog wel op als ik belde, maar onze gesprekken werden korter. Hij vroeg of het werk goed ging. Ik zei ja. Hij vertelde iets over de buurman, de voetbalclub, de regen. We deden allebei alsof er geen twaalf jaar tussen ons in lag.
Na dat bericht van Marieke reed ik pas de volgende ochtend naar het ziekenhuis. Ik had die avond nog een uur door mijn huis gelopen zonder iets te doen. De afwas stond op het aanrecht. Er lag een sok onder de bank. Ik had zelfs overwogen om te bellen en te zeggen dat ik griep had. Dat is beschamend om op te schrijven, maar het is waar.
Mijn vader lag op een kamer met nog een man achter een gordijn. Hij was kleiner geworden. Dat klinkt cliché, maar ik schrok ervan. Zijn handen lagen boven op het laken, dun en gevlekt. Marieke zat bij het raam met een kartonnen beker automatenkoffie.
Ze keek op toen ik binnenkwam.
‘Hoi,’ zei ik.
‘Hoi.’
Meer niet.
Mijn vader deed zijn ogen open en leek even te zoeken. Toen zei hij mijn naam. Niet verwijtend. Gewoon: ‘Bas.’ Alsof ik van de supermarkt kwam en hij wilde weten of ik brood had meegenomen.
Ik bleef die middag. We praatten nauwelijks. Hij sliep veel. Marieke appte met haar dochter over een proefwerkweek en liep twee keer de gang op om te bellen met haar werk. Toen ze terugkwam, vroeg ik of ik iets kon regelen. Een tas ophalen, administratie, wat dan ook.
Ze schudde haar hoofd.
‘Het meeste is al geregeld.’
Daar zat alles in. Niet alleen die ziekenhuisdagen. Alles wat zij blijkbaar al jaren zonder mij had geregeld.
Mijn vader overleed drie dagen later. Rustig, zei de verpleegkundige. Marieke en ik waren er allebei. Ik hield zijn voet vast door het laken heen, wat een vreemde, nutteloze handeling voelde, maar ik wist niet waar ik anders met mijn handen heen moest.
Na de uitvaart moesten we het huis leeghalen. Mijn vader had geen groot vermogen, geen geheim testament, geen ruzie over sieraden. Gewoon een huis dat verkocht moest worden, spullen waar niemand echt op zat te wachten en een map met papieren die op de eettafel bleef groeien.
De eerste zaterdag kwam Marieke met dozen, stickers en haar oudste zoon. Ik kwam met mijn auto en broodjes van de bakker op de hoek. Zij keek naar de zak en zei: ‘Je hoeft niet steeds te doen alsof je op bezoek bent.’
Dat kwam hard aan, juist omdat het waar was.
Later vonden we in de berging een oude kinderfiets van mij, blauw met roest op het stuur. Marieke lachte ineens. Ze vertelde dat ik ooit had beweerd dat ik ermee naar Parijs kon fietsen. Ik wist dat niet meer. We stonden daar allebei met stof op onze schoenen en moesten toch lachen. Het duurde misschien twintig seconden.
Die avond zei ik dat ik spijt had van het geld. Van mijn moeder. Van het verdwijnen zonder uitleg.
Marieke vouwde een verhuisdoos dicht en bleef naar haar handen kijken.
‘Je was niet alleen weg, Bas,’ zei ze. ‘Je liet mij achter als degene die alles moest kunnen.’
Ik wilde zeggen dat ik zelf ook niet kon. Dat ik destijds kapot was, bang, arm, schaamde me. Maar het klonk ineens als een verklaring die ik vooral voor mezelf nodig had.
Dus ik zei alleen: ‘Ik weet het.’
Ze knikte niet. Ze zei ook niet dat het goed was.
We hebben het huis inmiddels leeg. De verkoopmakelaar komt volgende week foto’s maken. Marieke heeft me gisteren een bericht gestuurd met de vraag of ik de oude brieven van onze moeder wil uitzoeken, omdat zij dat niet aankan. Ik heb nog niet geantwoord. Niet omdat ik niet wil, maar omdat ik bang ben dat ik er weer iets van maak wat ik niet waar kan maken.
Toch heb ik vanmorgen een vrije dag opgenomen. De trein naar Alkmaar vertrekt om 09.18 uur. Ik heb een lege tas klaargezet bij de voordeur, naast mijn schoenen.