Ik werd de vaste hulp van mijn beste vriendin, maar niemand vroeg of ik het nog aankon
Ik heb de afgelopen maand drie keer een bos bloemen gekocht die ik zelf nooit heb gezien.
De eerste was voor Ingrid, omdat Henk weer in het ziekenhuis lag. De tweede was van Rob en mij samen, na een slechte uitslag. De derde had ik in mijn winkelmandje gezet toen ik bij de bloemist stond te wachten en Ingrid me belde. Ik wist niet meer waarvoor die derde precies was. Er was steeds wel iets.
Ik ben zesenzestig, Rob is achtenzestig. Ingrid en Henk kennen we sinds 1981, van onze eerste flat in Nieuwegein. Onze kinderen speelden vroeger in dezelfde zandbak. We gingen jarenlang met z’n vieren een weekend naar de Veluwe, later naar Limburg, en toen de kinderen het huis uit waren ook nog een paar keer naar Frankrijk met de caravan.
Het was nooit zo’n vriendschap waarbij iemand de ander voortdurend nodig had. Juist niet. We belden niet iedere dag, maar als er iets was, stonden we er. Henk hielp Rob ooit met de schutting toen Rob zijn schouder had geblesseerd. Ingrid paste op mijn moeder toen ik met spoed naar mijn zus in Groningen moest. Ik heb haar na haar knieoperatie naar de fysio gereden. Gewoon, over en weer.
In januari kreeg Henk de diagnose longkanker. Uitgezaaid. Ik vind het nog steeds naar om dat zo kaal op te schrijven, maar zo is het gezegd in dat kamertje in het ziekenhuis. Rob en ik gingen mee omdat Ingrid niet alleen wilde rijden.
De eerste weken waren eigenlijk heel helder. Boodschappen doen, een pan soep brengen, meegaan naar een afspraak als Rob kon rijden. Ingrid was verdoofd en Henk maakte flauwe grappen over ziekenhuiseten. Ik dacht alleen maar: natuurlijk doen we dit. Daar zijn vrienden voor.
Maar toen Henk thuis kwam na zijn eerste behandeling, veranderde het. Ingrid belde soms al om half acht.
‘Marjan, hij heeft vannacht zo gehoest. Ik durf niet onder de douche, stel dat hij valt.’
Of: ‘Kun jij even komen? Ik weet niet of ik die pillen goed heb klaargelegd.’
“Even” was zelden even. Ik dronk koffie aan hun keukentafel terwijl Ingrid rondjes door het huis liep. Soms vroeg ze me een was op te hangen. Soms wilde ze alleen maar dat ik bleef zitten, omdat stilte haar zenuwachtig maakte.
Ik snapte dat ook wel. Henk werd magerder. Hij was altijd een grote, stevige man geweest, iemand die met één hand een verhuisdoos optilde en op verjaardagen te hard lachte. Nu lag hij vaak in zijn stoel met een dekentje over zijn benen. Hij schaamde zich als ik hem hielp met opstaan. Dan zei hij: ‘Nou, daar heb je onze Marjan weer, de thuiszorg zonder uniform.’ En ik lachte dan, maar ik voelde me er ongemakkelijk bij.
Ingrid wilde geen thuiszorg. Niet echt. Ze zei dat er best mensen kwamen voor bepaalde dingen, maar dat die maar een kwartier bleven en nooit hetzelfde gezicht hadden. De wijkverpleegkundige kon geen koffie drinken. Die kon niet aan haar zien dat ze op instorten stond.
Dat kon ik blijkbaar wel.
Op een gegeven moment ging ik vier, soms vijf dagen per week. Niet altijd lang, maar mijn dagen werden eromheen gebouwd. Ik zei een lunch met oud-collega’s af. Ik ging niet meer zwemmen op dinsdagochtend, terwijl dat juist mijn vaste moment was. Als Rob voorstelde om een stuk te fietsen, keek ik eerst op mijn telefoon of Ingrid iets had gestuurd.
Het stomme is: ik vertelde haar niet dat het me te veel werd. Ik deed alsof ik alle tijd had. Misschien omdat ik bang was dat ze dan zou huilen. Misschien omdat ik zelf dacht dat moe zijn niet telde naast wat zij meemaakte.
Rob vond het eerst prachtig dat ik zo hielp. ‘Jullie hebben elkaar al zo lang,’ zei hij. ‘Dat is toch bijzonder.’
Tot ik op een vrijdagmiddag thuiskwam en in de gang begon te huilen omdat ik een pak melk had laten vallen. Het was helemaal niet dramatisch. Alleen melk over de tegels, de kat die eraan wilde likken, en ik die ineens niet meer wist waarom ik zo moe was.
Rob pakte een dweil en zei: ‘Dan ga je toch een dag niet?’
Maar toen ik dat de week erna voorzichtig tegen Ingrid zei, werd het ingewikkeld. Ik had voorgesteld om vaste momenten af te spreken: bijvoorbeeld maandag- en donderdagmiddag. En dat we de huisarts of de wijkverpleging konden vragen welke ondersteuning er nog mogelijk was. Misschien kon er ook iemand van het inloophuis of een vrijwilliger langskomen, zei ik. Niet omdat ik weg wilde, maar omdat ik merkte dat zij meer nodig had dan ik kon geven.
Ingrid keek me aan alsof ik een vreemde was.
‘Dus jij wilt een rooster met mij maken?’ zei ze.
Ik zei dat ik juist wilde voorkomen dat ik steeds op was.
‘Op?’ Haar stem werd hard. ‘Henk gaat dood, Marjan. Ik ben op. Maar jij wilt weer lekker zwemmen en lunchen.’
Dat laatste zei ze niet eens gemeen, denk ik. Het kwam er gewoon uit. Toch voelde ik het alsof ik een kind was dat betrapt werd op iets egoïstisch.
Henk zat erbij. Hij zei lang niets. Toen mompelde hij: ‘Ingrid, doe nou niet zo.’ Maar hij keek naar zijn handen en niet naar mij.
Ik bleef nog bijna twee uur. Ik hielp met het eten opwarmen en deed alsof er niets gebeurd was. Op de terugweg kocht ik die derde bos bloemen, die ik uiteindelijk aan mijn buurvrouw heb gegeven omdat zij jarig was. Ik kon het niet opbrengen om weer bij Ingrid aan te bellen.
Thuis kreeg ik ruzie met Rob. Niet eens heel hard, maar daardoor was het misschien erger.
Hij zei dat Ingrid in paniek was en dat je mensen niet in de steek laat als het slecht gaat. Ik zei dat ik haar niet in de steek liet. Hij zei: ‘Zo voelt het voor haar wel.’
Daar zat ik dan, in mijn eigen keuken, met een man die Henk ook al meer dan veertig jaar kende, en ik moest uitleggen waarom ik niet iedere dag beschikbaar kon zijn voor een ander huishouden.
‘Jij gaat toch niet?’ vroeg ik.
Hij werd rood en zei dat Ingrid nu eenmaal makkelijker met mij praatte.
Dat was waar. Maar het maakte me ook boos. Alsof vrouw zijn automatisch betekende dat ik de angst, de tranen en de eindeloze gesprekken maar moest opvangen.
De dagen daarna belde Ingrid minder. Eerst vond ik dat vreselijk. Daarna merkte ik dat ik voortdurend naar mijn telefoon keek. Als hij niet ging, was ik ongerust. Als hij wel ging, trok mijn maag samen.
Afgelopen zondag zijn Rob en ik toch bij hen gaan eten. Henk wilde per se zelf aardappelpuree maken, wat uiteindelijk door Ingrid is gedaan omdat hij te moe werd. Het was een rare middag. Niet ruzieachtig, maar ook niet gewoon. Ingrid was beleefd tegen mij. Bijna té beleefd.
Toen we weg gingen, drukte ze me bij de voordeur even vast. Ze fluisterde: ‘Ik weet niet hoe ik dit zonder jou moet doen.’
Ik zei: ‘Je hoeft het niet zonder mij te doen.’ Dat meende ik. Alleen wist ik niet hoe ik moest uitleggen dat er iets zit tussen zonder mij en met mij elke dag.
Morgen heb ik weer afgesproken om koffie te drinken bij Ingrid. Alleen koffie, heb ik gezegd. Van tien tot twaalf. Ik heb het zelfs in mijn agenda gezet, alsof het een afspraak bij de mondhygiënist is.
Rob heeft er niets meer over gezegd. Vanmiddag vroeg hij wel of ik daarna nog mee wilde fietsen naar Vianen, als het droog bleef. Ik heb ja gezegd.
Mijn telefoon ligt nu op tafel. Het is half negen. Ik hoor hem soms bijna trillen voordat er iets binnenkomt.