Ik wilde onze vriendenavonden kleiner maken, maar mijn vrouw hoorde alleen dat ik haar wilde wegstoppen
De appgroep heet nog steeds ‘Vrijdagclub’, hoewel niemand van ons ooit een naam heeft bedacht die verder kwam dan dat. Zes stellen, soms met een losse vriend erbij als iemand alleen was. We begonnen ermee toen onze kinderen klein waren en oppas regelen nog ingewikkelder leek dan een hypotheek aanvragen. Nu zijn de kinderen veertigers, zijn er drie kleinkinderen geboren en hebben we elkaar door scheidingen, ontslagen, begrafenissen en een veel te uitbundige zestigste verjaardag heen gesleept.
Elke vrijdag zaten we bij iemand aan tafel. Soep, een schaal stokbrood, wijn die meestal te warm stond. Geen grote luxe. Juist daarom hield het zo lang stand.
Mijn vrouw Marijke was altijd degene die alles wist. Niet op een irritante manier, eerder op een warme. Zij onthield wie een nieuwe knie kreeg, welke zoon zijn hbo had afgemaakt, wie liever geen koriander at. Ze stuurde kaarten. Ze belde als iemand stil was in de appgroep. Als Marijke ergens binnenkwam, werd er meestal net wat harder gelachen.
Sinds een maand of negen gebeurt dat minder.
De huisarts noemde het eerst geheugenproblemen. Daarna kwam er een verwijzing naar de geheugenpoli. Uiteindelijk zei de geriater dat er waarschijnlijk sprake was van een beginnende vorm van Alzheimer. ‘Waarschijnlijk’ vond ik bijna erger dan een duidelijke uitslag. Het gaf ons iets om ons aan vast te houden en tegelijk niets.
Marijke wilde na dat gesprek eerst naar de HEMA. Ze had nieuwe pantoffels nodig, zei ze. In de auto zei ze dat die artsen altijd zo op labels zaten. Die avond kookte ze nasi en vergat ze de rijst op te zetten. We aten het met brood.
Bij de Vrijdagclub begon het klein. Ze vertelde dezelfde anekdote twee keer. Ze vroeg aan Kees hoe het met zijn werk ging, terwijl hij al vijf jaar met pensioen is. Iedereen lachte het weg. Kees zei dan: ‘Druk, druk, je kent het wel.’
Maar Marijke werd ook directer. Soms gemeen direct, als ik eerlijk ben. Ze zei tegen Els dat haar dochter er zo moe uitzag op die foto’s van Instagram. Tegen Ton zei ze, waar zijn vrouw Karin naast zat, dat hij opvallend vaak naar zijn telefoon keek voor iemand die beweerde gelukkig getrouwd te zijn.
Daarna zat ze zelf te kijken alsof ze niet begreep waarom iedereen zo stil werd.
Ik schaam me dat ik vooral bang was voor die stiltes. Niet voor haar, niet eens voor de ziekte. Voor het moment waarop ik merkte dat onze vrienden elkaar aankeken en besloten een onderwerp maar te laten liggen. Of als iemand ineens zei dat ze morgen vroeg weg moesten, terwijl het nog geen half elf was.
Ze bleven vriendelijk. Dat maakte het lastiger. Niemand zei: we trekken dit niet meer. Iedereen stuurde hartjes na de afspraak bij de geheugenpoli. Els bracht een pan lasagne. Ton installeerde een grotere kalender op Marijkes telefoon, wat zij vreselijk vond omdat hij zonder te vragen aan haar instellingen had gezeten.
Maar ik zag de irritatie. Karin die haar glas net iets te hard neerzette. Kees die naar de keuken liep zodra Marijke weer begon over de buurvrouw van vroeger, die volgens haar geld van haar moeder had gestolen. Die buurvrouw was twintig jaar geleden overleden.
Ik begon daarom te denken aan kleinere afspraken. Niet stoppen, absoluut niet. Alleen niet meer met dertien mensen door elkaar. Een koffie met Els. Samen wandelen met Kees en Ton. Zondagmiddag bij onze dochter, al was dat geen vervanging.
Ik bracht het voorzichtig ter sprake op een dinsdagavond. Marijke zat op de bank met een sudoku op schoot. Ze had al drie keer hetzelfde vakje ingevuld en weer uitgegumd.
‘Misschien hoeven we niet élke vrijdag naar de club,’ zei ik. ‘We kunnen ook eens mensen apart zien. Is rustiger.’
Ze keek niet op. ‘Voor wie rustiger?’
‘Voor jou ook. Soms kom je zo moe thuis.’
Toen keek ze wel op. Haar gezicht veranderde niet eens heel erg, maar ik wist meteen dat ik het verkeerd had gezegd.
‘Jij vindt dat ik me aanstel.’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Je vindt dat ik niet meer mee kan doen.’
Ik zei dat ik dat niet vond, wat deels waar was en deels laf. Want ik vond wel dat de avonden haar uitputten. En ik vond ook dat ze soms dingen zei die ze vroeger nooit gezegd zou hebben. Ik wilde haar behoeden voor blikken die zij misschien niet zag, maar die ik wel zag.
Marijke legde haar sudoku op tafel.
‘Die mensen kennen mij langer dan jij mij kent,’ zei ze. ‘Ze weten wie ik ben.’
We zijn zevenendertig jaar getrouwd. Ik wist dat ze overdreef. Maar ik zei niets.
De vrijdag erna waren we bij Kees en Karin. Er was stoofvlees, met rodekool uit een pot, precies zoals vroeger bij mijn moeder. Marijke was aanvankelijk goedgehumeurd. Ze droeg haar blauwe blouse, die ze de laatste tijd steeds vaker aantrekt omdat ze zegt dat die “netjes genoeg voor alles” is.
Na het eten ging het gesprek over een oud-collega van Ton die net overleden was. Henk heette hij. Ik kende hem vaag. Er werd gezegd dat hij al langer ziek was geweest en dat zijn vrouw het zwaar had gehad.
Marijke fronste.
‘Nee hoor,’ zei ze. ‘Die man had helemaal geen vrouw meer. Die is er jaren geleden vandoor gegaan met die fysiotherapeut.’
Ton zei rustig dat het waarschijnlijk over iemand anders ging.
‘Nee, Ton. Jij haalt het door elkaar.’ Ze draaide zich naar Karin. ‘Jij weet toch ook nog dat iedereen erover praatte? Bij dat etentje in De Gouden Leeuw.’
Karin keek naar haar bord. ‘Marijke, volgens mij was dat niet Henk.’
‘Jawel.’
Toen kwam het eruit, harder dan nodig was. Marijke vertelde dat Henks vrouw altijd al een beetje losbandig was geweest. Ze gebruikte woorden die ik haar vroeger nooit hoorde gebruiken. Ze zei ook dat Henk waarschijnlijk niet voor niets ziek was geworden, alsof ziekte een soort rekening was.
Er viel een stilte. Niet zo’n gewone stilte waarin iemand even naar de wc is. Een stilte waarin iedereen tegelijk besluit geen kant op te kijken.
Els zei heel zacht dat Henks weduwe vorige week nog bij haar op de koffie was geweest.
Marijke lachte kort. ‘Nou, dan heeft ze zich goed herpakt.’
Ik voelde mijn nek warm worden. Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Marijk, kom even mee naar de keuken.’
Ze bleef zitten.
‘Waarom?’
‘Gewoon. Even helpen met de koffie.’
Karin stond al half op, waarschijnlijk om het ongemakkelijker niet nog ongemakkelijker te maken. Maar Marijke keek ineens naar iedereen aan tafel en toen weer naar mij.
‘Je wilt dat ik wegga,’ zei ze.
‘Nee. Ik wil alleen even—’
‘Je doet alsof ik een kind ben.’
Dat zei ze niet hard. Juist daardoor hoorde iedereen het.
Ik had moeten gaan zitten. Ik had kunnen zeggen dat het me speet, dat ik geschrokken was, dat ik het ook niet goed wist. In plaats daarvan pakte ik haar jas van de kapstok. Ik zei dat we naar huis gingen.
Marijke trok haar arm weg toen ik haar wilde helpen. Ze pakte haar tas zelf. Tegen de rest zei ze: ‘Sorry dat ik jullie avond verpest heb.’ Toen liep ze naar buiten zonder haar jas dicht te doen.
In de auto zei ze de eerste tien minuten niets. Daarna vroeg ze of ik me nu beter voelde, nu ik had laten zien dat ik de baas was.
Ik zei dat ik niet de baas wilde zijn. Ze draaide haar hoofd naar het raam.
Thuis sliep ze op de bank. Niet omdat ze dat wilde, denk ik. Ze viel gewoon in slaap terwijl de televisie aanstond. Ik heb een deken over haar heen gelegd en haar telefoon opgeladen, omdat ze dat vaak vergeet.
De volgende ochtend stonden er berichten in de appgroep. Lief bedoeld. ‘Hoe gaat het met jullie?’ ‘Marijke, we houden van je hoor.’ ‘Laten we snel iets rustigs plannen.’
Marijke las ze naast me aan de ontbijttafel. Ze zei alleen: ‘Zie je wel. Rustigs. Alsof ik een onrustig dier ben.’
Ik heb daarna voorgesteld om een paar weken niet te gaan. Daar wil ze niets van weten. Vrijdag komt volgens haar gewoon weer. Ze heeft zelfs aangeboden om bij ons te koken, wat me nerveus maakt omdat ze de oven een paar keer aan heeft laten staan. Tegelijk zie ik hoe ze opleeft zodra ze over het menu begint.
Kees belde mij gisteren apart. Hij zei dat iedereen van Marijke houdt, maar dat ze ook bang zijn om steeds iets verkeerds te zeggen. Hij vroeg of ik hen misschien wat meer kon vertellen over wat ze wel en niet moeten doen. Ik zei dat ik het zelf niet eens weet.
Vrijdag is overmorgen. Marijke heeft een lijstje gemaakt voor de boodschappen. Ik heb er stiekem bij geschreven dat ik de wijn haal. Dat is onzin, want zij drinkt nauwelijks nog. Maar het geeft me een reden om mee te gaan naar de supermarkt en te voorkomen dat ze met zes flessen en geen eten thuiskomt.
De appgroep is sinds gisteren stil.