Toen onze oudste vriendschap ineens als zorgplicht voelde
Ik heb de afgelopen maanden vaak gedacht aan een foto die bij ons in de gang hangt. Vier jonge mensen op een camping in Frankrijk, ergens in 1987. Kees met een veel te korte spijkerbroek, mijn vrouw Anja met een zonnebril die ze nooit meer op zou durven, Marijke met een glas goedkope rosé, en ik ernaast met een snor waar ik nu van schrik.
We leerden Kees en Marijke kennen omdat onze tenten naast elkaar stonden. Daarna kwamen etentjes, gezamenlijke vakanties, verjaardagen, de kinderen die ongeveer tegelijk naar de middelbare school gingen. Niet dat we alles samen deden. Juist niet. Maar als er iets was, belden we elkaar. Altijd.
Toen Kees vorig jaar een paar keer de weg kwijt was geraakt in zijn eigen wijk, maakten we er eerst nog flauwe grappen over. Hij was altijd al verstrooid geweest. Later vergat hij afspraken. Hij vroeg tijdens een etentje drie keer hoe lang Anja en ik al getrouwd waren. Bij de derde keer zag ik dat Marijke niet eens meer reageerde. Ze keek alleen naar haar bord.
De diagnose kwam na een paar maanden onderzoeken: beginnende Alzheimer.
Kees zelf leek het niet goed te bevatten. Hij zei: “Nou, ik word gewoon wat vergeetachtig, net als iedereen.” Marijke knikte dan, maar haar mond stond strak. Zij begreep het wel. Misschien begreep ze het al eerder dan wij.
In het begin hielpen we vanzelfsprekend. Ik reed met Kees naar de huisarts als Marijke niet kon. Anja nam boodschappen mee en bleef soms een uur langer voor koffie. We haalden hen op voor een wandeling in het Amsterdamse Bos, hoewel Kees na twintig minuten meestal naar huis wilde. Dat was allemaal geen probleem. We vonden het eigenlijk logisch.
Maar het schoof op zonder dat iemand het hardop zei.
Marijke belde op woensdagavond of wij zaterdag op Kees konden passen, want zij wilde naar de kapper en even naar haar zus. Daarna vroeg ze of Anja elke dinsdagmiddag kon komen, omdat Kees dan onrustig was. Vervolgens kwam er administratie bij. Kees had rekeningen dubbel betaald, een energiecontract afgesloten waar niemand iets van begreep en drie keer dezelfde verzekering aangevraagd.
Ik ben vroeger boekhouder geweest, dus voor ik het wist zat ik op maandagmorgen bij hen aan tafel met een map, twee DigiD-brieven en Kees die steeds vroeg of ik zijn pincode wist.
“Die weet ik niet, Kees,” zei ik dan.
“Maar jij doet toch de bank?”
Dat zinnetje bleef bij me hangen. Jij doet toch de bank.
Op een gegeven moment hadden Anja en ik een rooster op de koelkast. Niet voor onszelf, maar voor Kees en Marijke. Dinsdag Anja. Donderdag ik, administratie of een boodschap. Zaterdag om de week samen, zodat Marijke weg kon. We gingen minder naar onze kleindochter in Utrecht, zegden een midweekje Zeeland af en ik stelde een afspraak met oude collega’s twee keer uit.
Ik schaam me een beetje om het te zeggen, maar ik begon tegen donderdag op te zien. Niet tegen Kees. Hij was nog steeds mijn vriend, op zijn eigen verwarrende manier. Soms vertelde hij ineens een verhaal van veertig jaar geleden tot in details. Dan was hij er weer helemaal. Maar ik zag ook hoe hij boos kon worden als ik zei dat hij niet meer alleen met de auto moest rijden. En hoe Marijke daarna, zodra hij naar het toilet was, met haar handen voor haar gezicht zat.
Anja trok het nog slechter dan ik. Zij is iemand die moeilijk wegloopt als iemand hulp nodig heeft. Maar ze sliep slecht. Als de telefoon na negen uur ging, schrok ze overeind. Een keer was Marijke aan de lijn omdat Kees zijn jas aanhad getrokken en naar zijn vroegere kantoor wilde. Het regende hard. Anja is erheen gereden, terwijl ik zei dat Marijke de huisartsenpost of crisisdienst moest bellen als ze het niet aankon.
Dat vond ze toen al hard van mij.
De echte ruzie, als je het zo kunt noemen, kwam bij ons thuis. Marijke zat aan onze keukentafel. Kees was die middag bij een dagbehandeling, voor het eerst. Ze had een envelop bij zich met post die ze niet begreep: iets van de gemeente, iets over een indicatie, een brief van de bank.
Ze praatte snel, alsof ze bang was dat wij haar zouden onderbreken.
“Vanaf volgende maand kan Kees op maandag en donderdag daarheen. Maar dinsdag, woensdag en vrijdag zijn nog open. Ik kan niet alle dagen alleen. En ’s nachts slaap ik bijna niet meer. Jullie zouden dinsdag kunnen doen. En misschien vrijdagmiddag, dan kan ik gewoon even… nou ja, ademhalen.”
Anja keek naar mij. Ik wist meteen wat ze dacht, omdat we er de avond ervoor nog over hadden gepraat.
Ik zei dat we best één vaste middag konden blijven doen, maar niet twee hele dagen. En dat ik de administratie nog wel wilde helpen ordenen, maar niet langer de contactpersoon voor alles kon zijn. We moesten ook iemand van de casemanager dementie vragen wat er mogelijk was. Misschien kon er thuiszorg komen, of extra begeleiding.
Marijke werd heel stil.
Toen zei ze: “Dus jullie hebben besloten hoeveel Kees en ik waard zijn in jullie agenda?”
Dat kwam harder aan dan ik verwacht had. Anja begon meteen uit te leggen dat het daar niet om ging. Dat we van hen hielden. Dat wij ook ouder werden, dat ik last van mijn knie had, dat Anja niet elke week in de stress kon zitten. Allemaal waar, maar het klonk ineens als een lijstje excuses.
Marijke schoof de envelop naar zich toe.
“Echte vrienden laten elkaar toch niet zitten als het moeilijk wordt?” zei ze.
Ik voelde dat ik boos werd, juist omdat ik me schuldig voelde. “We laten jullie niet zitten. Maar we kunnen niet jullie zorgsysteem worden.”
Ze keek me aan alsof ik iets vies had gezegd.
“Dan heb ik onze vriendschap blijkbaar heel anders gezien dan jullie.”
Ze vertrok zonder koffie af te maken. Buiten zag ik haar bij haar fiets zoeken naar haar sleutels. Ik stond op het punt achter haar aan te gaan, maar ik deed het niet. Dat is misschien het moment waar ik het meest aan blijf denken.
De week erna belde ze niet. Ook niet toen Kees jarig was. We hebben een kaart gestuurd en een appje. Geen antwoord. Anja wilde erheen, gewoon aanbellen, maar ik heb gezegd dat we eerst ruimte moesten laten. Daar hadden we vervolgens ook weer ruzie over. Niet groot. Vermoeid vooral.
Via een gezamenlijke kennis hoorden we dat Marijke uiteindelijk contact had opgenomen met de casemanager. Er is nu meer dagopvang en er komt iemand voor een deel van de administratie. Ik ben opgelucht, maar ook gekwetst dat het kennelijk pas gebeurde toen wij niet alles meer opvingen.
Afgelopen dinsdag kreeg ik ineens een berichtje van Marijke: ‘Kees vraagt vaak naar je. Hij denkt dat jullie ruzie hebben. Zou je zondag een uurtje kunnen komen voetballen kijken?’
Ik heb teruggeschreven dat ik kom.
Niet om de rekeningen door te nemen. Niet om een middag vrij te spelen voor Marijke. Gewoon om bij mijn vriend op de bank te zitten, met een biertje dat hij waarschijnlijk half laat staan, terwijl hij misschien niet meer weet welke club we vroeger altijd steunden.
Anja gaat die middag naar haar zus. Voor het eerst zonder haar telefoon op tafel naast zich.