Ik bleef mezelf kleiner maken om erbij te horen, tot ik op een verjaardag brak
Ik weet niet precies wanneer het begonnen is. Misschien al op de middelbare school, toen meisjes als Lotte en Fleur moeiteloos leken te weten hoe ze moesten praten, lachen, lopen zelfs. Alsof zij ergens een handleiding hadden gekregen en ik te laat was toen die werd uitgedeeld. Ik was niet raar of zo. Tenminste, dat zei mijn moeder altijd. Maar ik voelde me wel vaak de versie van iemand die net niet af was.
Thuis werd daar niet echt over gepraat. Mijn vader, Arjan, was van het soort: schouders eronder, niet zeuren. Mijn moeder, Ingrid, kon met één blik laten merken dat ze vond dat ik mezelf “netter” moest presenteren. Niet onaardig bedoeld misschien, maar het kwam altijd binnen.
“Als je iets rustiger doet, kom je sterker over, Noor.”
Rustiger. Netter. Beschaafder. Minder fel. Minder luid. Minder ik.
Ik ben 34 nu en ik merk dat ik nog steeds automatisch scan of ik niet te veel ben. Op kantoor, in de supermarkt, zelfs bij de bakker. Bizar eigenlijk. Alsof er altijd een onzichtbare jury meekijkt. Ik werk als doktersassistente in Amersfoort, ik betaal mijn rekeningen, ik ben aardig voor mensen, ik doe echt mijn best. En toch zit er steeds dat stemmetje: ja, maar eigenlijk ben je niet goed genoeg.
Twee jaar geleden leerde ik Sander kennen. Hij was rustig, attent, zo iemand die onthoudt hoe je je koffie drinkt. In het begin dacht ik: zie je wel, misschien val ik toch mee. Misschien ben ik niet te lastig, te emotioneel, te aanwezig. Dat dacht ik echt. En dat is misschien al pijnlijk genoeg.
Want na een paar maanden begon ik me ook bij hem aan te passen.
Ik droeg minder opvallende kleren omdat hij ooit zei: “Je hoeft niet altijd zo uit te pakken, toch?” Niet gemeen, meer half lachend. Maar ik hoorde: doe maar gewoner. Ik vertelde minder enthousiast over dingen waar ik blij van werd, omdat hij soms keek alsof ik me aanstelde. Ik werd handiger in mezelf afremmen. Dat klinkt heel triest als ik het nu zo opschrijf. Is het ook.
De echte klap kwam op de verjaardag van mijn nicht Marieke, vorige maand. Gewoon zo’n typisch Nederlandse zondagmiddag. Koffie, appeltaart, een kring van stoelen, kinderen die te hard door de woonkamer renden, iedereen met meningen over huizenprijzen en files op de A1.
Ik had een groene blouse aan waar ik me mooi in voelde. Niet eens extreem. Gewoon… mezelf.
Toen ik binnenkwam, keek mijn moeder me aan en zei:
“Zo, dat is wel erg opvallend voor een verjaardag.”
Ze lachte erbij, mijn tante lachte ook, en iemand zei: “Nou ja, Noor moet altijd een statement maken.”
Klein moment. Voor anderen waarschijnlijk niks. Voor mij voelde het alsof ik weer zestien was.
Ik zei nog: “Ik vond het gewoon leuk staan.”
Maar ik voelde mijn wangen branden.
Later stond ik in de keuken met Sander. Ik zei zacht dat ik dat soort opmerkingen zat was. Dat ik me altijd beoordeeld voel. Ik dacht dat hij eindelijk eens zou zeggen dat ik me niet zo klein hoefde te maken.
In plaats daarvan haalde hij zijn schouders op.
“Je trekt het je ook allemaal veel te veel aan, Noor. Als iedereen steeds hetzelfde zegt, zit er misschien ook gewoon iets in.”
Ik weet nog dat ik naar de tegelwand keek omdat ik hem anders een klap had willen geven. Niet echt, maar je snapt me. Mijn handen trilden. Er stond een schaal blokjes kaas tussen ons in. Mijn nichtje rende gillend langs. En ineens dacht ik: dit is dus mijn leven. Overal pas ik me aan, en zelfs dan ben ik nog niet goed genoeg.
Ik vroeg: “Dus jij vindt ook dat ik te veel ben?”
Hij zuchtte. Dat zuchtje. Alsof ík vermoeiend was.
“Je maakt van alles zo’n ding.”
Ik weet niet waarom juist die zin me brak. Misschien omdat ik hem al mijn hele leven hoor, in allerlei varianten.
Niet overdrijven.
Doe normaal.
Wees niet zo gevoelig.
Pas je een beetje aan.
Ik ben naar buiten gelopen zonder jas. Het was koud en het rook naar natte stenen. Mijn moeder kwam nog achter me aan, op haar sokken in de deuropening.
“Noor, kom niet zo dramatisch doen.”
Dramatisch.
Ik draaide me om en voor het eerst zei ik niet sorry, ik slikte het niet weg, ik glimlachte niet om het glad te strijken.
Ik zei: “Hebben jullie enig idee hoe moe ik ben van steeds horen dat ik minder moet zijn?”
Mijn moeder keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven.
“Dat zeggen we helemaal niet.”
“Jawel,” zei ik. “Misschien niet letterlijk. Maar wel altijd.”
Binnen werd het stil. Je kent dat wel, zo’n stilte die zelfs door dubbel glas heen voelbaar is. Mijn vader stond op uit zijn stoel maar zei niks. Sander kwam niet naar buiten. Ook dat deed zeer. Misschien nog wel het meest.
Ik ben weggegaan. Gewoon in mijn auto gestapt en naar huis gereden, met mascara op mijn kin en mijn telefoon die bleef trillen in mijn tas. Thuis heb ik die groene blouse uitgetrokken alsof hij me had verraden, en meteen daarna moest ik huilen omdat ik dat deed. Hoe krom is dat?
Sander en ik hebben nu “ruimte”. Dat woord alleen al. Hij zegt dat ik te veel bevestiging nodig heb en dat niemand dat gat voor me kan vullen. Daar heeft hij misschien gelijk in. Dat is juist het irritante. Maar betekent dat ook dat mensen maar alles mogen blijven afdoen als overgevoeligheid? Dat ik gewoon moet leren slikken wat pijn doet?
Mijn moeder stuurde twee dagen later: “Het was niet zo bedoeld.” Geen sorry. Geen vraag hoe het met me ging. Alleen dat.
En ik blijf eraan denken. Niet alleen aan die middag, maar aan alle jaren ervoor. Hoe vaak ik mezelf heb ingeleverd om acceptabel te blijven. Hoe vaak ik dacht dat waardering iets was wat ik eerst moest verdienen door kleiner, rustiger, makkelijker te worden.
Misschien ben ik echt gevoelig. Misschien heb ik te veel gehunkerd naar goedkeuring. Maar is dat zo gek als je je hele leven het gevoel krijgt dat je nét niet de juiste versie van jezelf bent?
Ik weet alleen één ding zeker: ik ben doodmoe van vechten voor een plek aan tafels waar ik alleen welkom ben als ik mezelf temper.
Maar wat is erger? Dat anderen je te veel vinden, of dat je jezelf langzaam kwijtraakt om precies goed voor hen te worden?
Zou jij kiezen voor geaccepteerd worden, of voor eindelijk vrede met jezelf?