Ik zei tegen mijn zus dat ik niet nóg een nacht bij mam kon blijven
De eerste keer dat mijn moeder midden in een zin vergat wat ze wilde zeggen, lachten we er nog om.
Ze stond in haar keuken in Amersfoort, met een pan aardappelen op het vuur en haar leesbril in haar haar. Ze vertelde iets over de buurvrouw van nummer 18, of over haar fysiotherapeut, dat weet ik niet meer. Opeens keek ze me aan alsof ik de rest van de zin moest invullen.
“Nou ja,” zei ze toen. “Je snapt me wel.”
Dat deed ik. Of ik dacht dat ik dat deed.
Een jaar later lag haar agenda vol met ziekenhuisafspraken, bloeduitslagen en telefoonnummers die ik niet kende. De diagnose kwam na een paar weken onderzoeken: alvleesklierkanker, uitgezaaid. De oncoloog sprak rustig. Veel te rustig, vond ik. Mijn moeder knikte bij alles en vroeg of ze nog koffie mocht drinken. Mijn zus Marije begon meteen praktische vragen te stellen. Ik zat vooral naar de veters van mijn schoenen te kijken.
Ik ben 34, werk als planner bij een installatiebedrijf en woonde toen nog alleen in een huurappartement in Utrecht. Niet groot, wel van mezelf, voor zover iets van jezelf is als je elke maand bijna de helft van je salaris overmaakt aan een woningcorporatie. Ik had net eindelijk wat rust in mijn leven. Geen relatie die stukliep, geen gedoe met geld, gewoon werken, op donderdag zaalvoetbal, in het weekend soms naar mijn vader in Zwolle.
Mijn ouders waren al jaren gescheiden. Mijn vader belde na de diagnose en zei: “Als je moeder iets nodig heeft, moet je het zeggen.”
Hij bedoelde het best. Maar hij kwam uiteindelijk twee keer langs. Eén keer met een bos tulpen die ze niet eens meer kon ruiken, en één keer op een dinsdagmiddag toen ik toevallig ook vrij had genomen. Daarna zei hij dat hij het “heel moeilijk vond haar zo te zien”. Alsof wij daar allemaal voor ons plezier zaten.
Marije woont in Gouda, heeft twee kinderen van zes en negen en werkt drie dagen op een basisschool. Zij regelde de wijkverpleging, de apotheek, de formulieren voor de gemeente, alles eigenlijk. Ik reed vaker heen en weer omdat ik flexibeler kon werken. Eerst één avond per week. Daarna drie. Toen bleef ik soms slapen op de bank, omdat mam ’s nachts bang werd als ze wakker lag.
Ze zei nooit letterlijk dat ze bang was om dood te gaan. Ze zei dingen als: “Zet jij die stoel even naast mijn bed?” Of: “Blijf nog vijf minuten zitten.”
Die vijf minuten werden vaak twee uur.
Ik schaam me om dit op te schrijven, maar er waren avonden dat ik in haar badkamer zat met de kraan aan, alleen om even niet te hoeven antwoorden. Dan keek ik naar mijn telefoon, naar berichten van collega’s over roosters en van mijn teamgenoten die vroegen waar ik bleef. Ik typte soms dat ik volgende week weer mee zou doen. Dat werd dan weer niet zo.
Op een maandag belde mijn leidinggevende me. Of ik langs wilde komen. Ik wist al wat er kwam.
Hij was niet onaardig. Hij zei juist dat hij zag dat ik mijn best deed. Maar mijn werk bleef liggen, monteurs stonden op verkeerde locaties ingepland en ik meldde me steeds later ziek of beschikbaar. Hij vroeg of ik tijdelijk minder uren wilde werken.
Dat wilde ik niet. Minder uren betekende minder geld. Ik had geen koopwoning, geen partner met wie ik de huur kon delen, geen spaarrekening waar je maanden van leeft. Ik zei dat het wel ging.
Hij keek me een beetje lang aan en zei: “Daan, het gaat duidelijk niet.”
Daar werd ik woest van. Niet op hem, eigenlijk. Op het feit dat iemand het hardop zei.
Diezelfde avond had mam een slechte nacht. Ze had pijn, ondanks de pleisters en de extra medicatie. De huisartsenpost had gezegd dat we moesten bellen als het erger werd, maar mam wilde niet dat ik belde. Ze wilde geen onbekende arts, geen ambulance, geen gedoe. Ze kneep mijn hand zo hard vast dat ik de volgende ochtend nog afdrukken in mijn huid zag.
Om half vijf appte Marije: Hoe is het?
Ik stuurde terug: Slecht. Ik trek dit niet meer alleen.
Ze reageerde pas om kwart over zeven. De kinderen moesten naar school, schreef ze. Ze kwam na de lunch.
Ik weet nog dat ik naar dat scherm staarde en dat er iets in mij knapte. Niet groot of spectaculair. Ik gooide niets kapot. Ik begon niet te schreeuwen. Ik stuurde alleen: Dan regel je maar iets. Ik ga naar huis zodra jij er bent.
Marije belde meteen.
“Wat bedoel je, je gaat naar huis?”
“Ik bedoel precies dat.”
“Daan, mam kan nu niet alleen zijn.”
“Dat weet ik ook wel.”
“Nou, waarom zeg je dit dan?”
Ik hoorde op de achtergrond een kind vragen waar zijn gymschoenen waren. Ik hoorde haar zuchten. En ik zei iets wat ik al maanden blijkbaar in mijn keel had zitten.
“Omdat jullie allemaal denken dat ik het wel kan. Omdat ik geen kinderen heb, geen gezin, dus mijn tijd blijkbaar minder waard is.”
Het bleef even stil.
Toen zei ze: “Dat denk ik niet.”
Maar ze klonk niet boos. Ze klonk moe. Misschien nog vermoeider dan ik.
“Je doet alsof ik hier lekker zit,” zei ze. “Ik ben ook bang, Daan.”
Dat had ik niet verwacht. Niet omdat ik dacht dat zij nergens last van had, maar omdat ik haar vooral zag als degene die lijstjes maakte en dingen oploste. Zij wist welke verpleegkundige wanneer kwam. Zij wist welke medicijnen op waren. Ik was degene die er gewoon ging zitten als mam me riep.
“Dan kom je toch nu?” zei ik. Het klonk kinderachtig toen ik het zei.
Ze zei dat ze niet kon. Niet vóór school uit was. Haar vriend werkte die dag in Rotterdam en haar schoonmoeder, die normaal kon oppassen, lag zelf met griep in bed.
Ik zei: “Prima.” Daarna hing ik op.
Om tien uur ’s ochtends, nadat mijn moeder eindelijk in slaap was gevallen, pakte ik mijn tas. Ik deed mijn jas aan. Ik stond al bij de voordeur.
Toen hoorde ik haar vanuit de slaapkamer zacht mijn naam zeggen.
Niet hard. Niet paniekerig. Gewoon: “Daan?”
Ik ben teruggelopen en ben op de rand van haar bed gaan zitten. Ze sliep alweer voordat ik iets kon vragen.
Ik bleef tot Marije kwam.
Toen zij binnenkwam, om iets na één uur, zag ze er verschrikkelijk uit. Haar haar nog nat van de regen, een tas met broodjes aan haar arm, haar ogen rood. We zeiden allebei geen sorry. Dat vind ik nog steeds vreemd. We wisselden alleen kort de medicijnen door, alsof we collega’s waren bij een dienstoverdracht.
Ik ging naar huis en sliep twaalf uur achter elkaar.
Drie weken later overleed mijn moeder in het hospice. Marije en ik waren er allebei. Mijn vader ook, aan de andere kant van het bed. We waren opeens weer een gezin dat niet wist hoe het moest zitten.
Nu, acht maanden later, ga ik weer soms zaalvoetballen. Niet elke donderdag. Mijn leidinggevende heeft mijn uren uiteindelijk tijdelijk aangepast en ik loop nog steeds achter met geld, maar het ergste is niet eens dat.
Het ergste is dat ik soms een rustige avond heb waarop niemand belt, niemand iets nodig heeft, en ik me niet opgelucht voel maar schuldig.
Vorige week stuurde Marije een foto van haar jongste die een veel te grote winterjas van mam aanhad tijdens het verkleden. Ik keek er lang naar. Toen typte ik: mooie jas.
Zij stuurde terug: Ja hè. Mam zou dit hilarisch hebben gevonden.
Daarna hebben we allebei niets meer gestuurd.