‘Doe die deur niet open,’ zei mijn moeder nog — maar toen hoorde ik de buurvrouw weer huilen
‘Jij gaat daar niet weer aanbellen, hoor je me?’ zei mijn moeder door de telefoon. ‘Straks keert hij zich tegen jou.’
Ik stond al in mijn gang, met mijn hand op de deurklink, omdat ik haar naast mij weer hoorde huilen. Niet gewoon snikken, maar dat ingehouden huilen waarbij iemand probeert stil te blijven. Juist dat geluid ging door merg en been.
Ik woon sinds anderhalf jaar in een sociale huurwoning in een galerijflat in Almere. Niet groot, maar na mijn scheiding was ik al blij dat ik via de woningcorporatie iets voor mezelf en mijn dochter had. Mijn dochter is om het weekend bij haar vader, dus doordeweeks is het hier vaak stil. In het begin vond ik dat heerlijk. Rust. Geen spanning. Geen gedoe.
Misschien is dat ook waarom ik zo sterk reageerde op de geluiden van hiernaast. Ik heb zelf jaren in een huwelijk gezeten waarin nooit echt geslagen werd, maar waar wel altijd controle was. Op mijn telefoon meekijken, precies willen weten waar ik was, boos worden als ik met collega’s nog even koffie dronk. Dus toen de nieuwe buren kwamen en ik in de eerste week al een man hoorde schreeuwen: ‘Jij luistert ook nooit’, voelde ik dat meteen in mijn lijf.
De eerste keer heb ik niks gedaan. De tweede keer ook niet. Ik zette de tv harder en zei tegen mezelf dat je niet alles weet. In flats hoor je veel. Dat zei mijn broer ook: ‘Straks bel jij de politie en blijkt het gewoon een ruziekoppel.’
Maar een paar weken later stond de buurvrouw ineens bij mij voor de deur, zonder jas, in slippers. Haar lip was dik. Ze zei: ‘Mag ik heel even binnen zitten? Vijf minuten.’
Natuurlijk liet ik haar binnen. Ik zette thee, wat eigenlijk stom was, want zij trilde zo erg dat ze die mok amper vast kon houden. Ze zei steeds: ‘Het valt wel mee. Hij is gewoon gestrest. Hij heeft zijn werk verloren.’
Ik zei: ‘Als jij wilt, bel ik 112.’
‘Nee!’ zei ze meteen. Veel te hard. Toen zachter: ‘Alsjeblieft niet. Dan wordt het alleen maar erger.’
Na twintig minuten ging ze toch terug. Ik weet nog dat ik zei: ‘Je hoeft echt niet terug, hè.’ En dat zij antwoordde: ‘Waar moet ik anders heen? Mijn zus woont in Groningen, ik werk hier in de thuiszorg, en ik heb niet eens mijn pinpas mee.’
Ik gaf haar mijn nummer op een briefje. Ze heeft dat briefje die avond in haar jaszak gestopt alsof het iets heel belangrijks was.
Daarna begon het appen. Niet veel. Meestal alleen: ‘Is het oké als ik even bij je zit?’ of ‘Heb jij paracetamol?’ Een keer vroeg ze of ik een oplader had. En steeds als ze bij mij zat, praatte ze het goed. ‘Hij bedoelt het niet zo.’ ‘Hij heeft het moeilijk.’ ‘Ik maak hem ook gek, hoor.’
Ik zei dan dingen als: ‘Je maakt niemand zó boos dat dit normaal is.’ Maar eerlijk is eerlijk: ik stelde ook grenzen op een rare manier. Mijn dochter was er soms, ik werkte zelf gewoon 32 uur bij een tandartspraktijk in Bussum, ik zat ook niet te wachten op ellende in huis. Dus ik hielp half. Wel binnenlaten, wel luisteren, maar niet echt doorpakken.
Tot mijn dochter op een zondag vroeg: ‘Waarom is die mevrouw altijd verdrietig?’ Toen loog ik. Ik zei dat de buurvrouw ziek was. Ik wilde mijn dochter beschermen, maar ook mezelf. Als ik het hardop een naam gaf, moest ik er misschien ook echt iets mee.
Twee maanden geleden escaleerde het. Het was een donderdagavond. Mijn dochter was gelukkig bij haar vader. Ik hoorde een klap tegen de muur, daarna haar stem: ‘Laat me los.’ Ik ben niet trots op wat ik eerst deed: ik bleef verstijfd in de keuken staan. Ik dacht alleen maar: als ik nu de gang op ga en hij ziet mij, weet hij dat ik het gehoord heb.
Toen kreeg ik een appje van haar: ‘Kun je helpen?’
Meer niet.
Ik heb 112 gebeld. Mijn handen trilden zo erg dat ik mijn postcode verkeerd zei. De centralist bleef gelukkig rustig. Die zei dat ik binnen moest blijven en niet zelf ertussen moest gaan.
En toch deed ik het wel. Dat is dus precies het domme. Ik hoorde haar voordeur opengaan, gerommel op de galerij, en ik dacht alleen: straks trekt hij haar mee naar binnen en zegt ze morgen weer dat er niks is gebeurd. Dus ik deed mijn deur open.
Zij stond daar met een tas en zonder schoenen. Hij stond achter haar. Niet dronken, niet wild, juist heel beheerst. Dat vond ik misschien nog enger.
Ik zei: ‘De politie is al gebeld.’
Hij keek me aan en zei heel rustig: ‘Door jou zeker. Bemoei je met je eigen leven.’
Mijn hart zat in mijn keel, maar ik zei: ‘Kom maar hier,’ tegen haar.
Zij bewoog niet.
En toen zei hij iets wat ik nog steeds hoor als ik wakker schrik: ‘Jij denkt zeker dat jij haar gaat redden? Kijk eerst naar jezelf.’
Het was geen geschreeuw. Gewoon zacht. Alsof hij me al kende.
Op dat moment merkte ik pas hoe vaak hij me waarschijnlijk had gezien. Met mijn dochter. Alleen op de galerij. Op vaste tijden. Ik voelde me zó stom. Alsof ik zonder na te denken onze veiligheid op het spel had gezet.
De politie kwam snel, maar die minuten duurden eindeloos. Zij ging uiteindelijk met hen mee. Hij ook, apart. Ik heb die nacht bij mijn moeder geslapen, omdat ik niet meer alleen in mijn eigen huis durfde te zijn.
De volgende dag voelde ik me niet heldhaftig, eerder kapot. Alsof alle rust die ik na mijn scheiding had opgebouwd in één avond weg was. Mijn dochter merkte het ook meteen. ‘Waarom schrik je steeds?’ vroeg ze.
De buurvrouw is daarna een paar weken weg geweest. Via een wijkagent hoorde ik later dat ze in een opvang zat. Ik was opgelucht, maar ook boos, op haar en op mezelf. Boos op haar omdat ze me erin had getrokken. Boos op mezelf omdat ik dat dacht. Want wat had ze dan moeten doen? Niemand bellen?
Vorige week stond ze ineens weer voor mijn deur. Met een sleutelbos in haar hand. Ze zei: ‘Ik kom mijn spullen halen. Ik ga niet terug naar hem, maar ik heb wel een deel van de huur betaald, dus ik moet dit netjes afronden.’
Ik zei: ‘Ga je hier echt weer alleen naar binnen?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Alles loopt via instanties. Veilig Thuis, de woningcorporatie, politie. Maar uiteindelijk moet je zelf ook dingen doen.’
Daar had ze gelijk in, en toch voelde ik weer die paniek. Ik heb gezegd dat ik niet mee naar binnen ging. Zij keek me aan en zei: ‘Dat snap ik.’ Maar ik zag ook teleurstelling.
Daar zit ik dus mee. Ik heb haar geholpen, maar maar tot op zekere hoogte. En misschien is dat ook normaal. Ik heb zelf ook een kind en ik wil niet opnieuw in angst leven in mijn eigen huis. Tegelijk voelt het laf dat ik nu vooral denk aan mijn eigen voordeur, mijn eigen galerij, mijn eigen veiligheid.
Ik ben blij dat ik die avond 112 heb gebeld. Maar als ik eerlijk ben: als ik vooraf had geweten hoe bang ik daarna zou zijn, weet ik niet of ik het weer zo zou doen.
Dus ik vraag me echt af: tot waar heb je een morele plicht om iemand te helpen, als het jouzelf en je gezin ook onveilig kan maken?