Sinds Kees met pensioen is, wil hij onze vrienden alleen nog zien als het hem uitkomt

Vorige zaterdag stond ik om half zes een schaal met lasagne uit de oven te halen, terwijl ik al wist dat er waarschijnlijk maar zes mensen zouden komen in plaats van acht. Kees had die middag een bericht in onze groepsapp gezet: *Ik sla vanavond over, morgen vroeg trainingswandeling. Veel plezier allemaal.*

Niemand reageerde daar vreemd op. Hooguit een duimpje van Joost. Maar ik keek ernaar alsof er iets veel groters stond dan een afmelding voor een etentje.

Wij zijn 63 en 65. Kees ging afgelopen voorjaar met pensioen, na bijna 42 jaar bij een installateur in Amersfoort. Ik werk nog twee dagen per week op de administratie van een fysiopraktijk, al ben ik aan het afbouwen. In januari stop ik helemaal. Daar denk ik de laatste tijd vaker aan dan ik toegeef. Niet omdat ik mijn werk zo geweldig vind, maar omdat ik bang ben voor de dagen die daarna zomaar leeg kunnen worden.

Onze vrienden zijn voor mij nooit zomaar ‘gezelligheid’ geweest. Met Joost en Marijke, Peter en Els, en wij tweeën doen we al sinds de kinderen klein waren van alles. Eerst barbecueën in achtertuinen met opblaasbadjes en ruzie over wie er moest rijden. Later etentjes, weekendjes in Limburg, wandelen op zondag en met oud en nieuw altijd bij iemand thuis. De laatste jaren was het meestal zaterdagavond. Soms bij ons, soms bij een ander. Niet spectaculair, wel vast.

Kees vond dat vroeger ook fijn. Hij maakte vaak de saté, haalde wijn die eigenlijk te duur was en kon met Joost uren praten over verbouwen, gereedschap of voetbal. Daarom snapte ik eerst ook niet goed wat er gebeurde.

Hij was nog geen maand thuis of hij liep elke ochtend met een rugzak door het bos. Eerst een rondje van acht kilometer. Toen vijftien. Daarna kwam hij thuis met wandelstokken en schoenen waar hij meer aandacht aan besteedde dan aan zijn nieuwe leesbril. Hij heeft zich aangesloten bij een wandelvereniging en wil volgend jaar een meerdaagse tocht in de Alpen doen. Hij noemt het zelf ‘eindelijk iets van mezelf opbouwen’.

Ik vind het oprecht goed dat hij iets heeft. Kees was nooit iemand met veel hobby’s. Zijn werk was zijn ritme. Toen hij stopte, zat hij de eerste weken ’s ochtends al om negen uur aan de keukentafel, met de krant voor zich en een blik alsof hij op een vertraagde trein wachtte. Nu komt hij rozig thuis, met modder op zijn broek en verhalen over een vrouw van 71 die hem op een heuvel moeiteloos voorbijliep. Ik zie dat het hem goeddoet.

Maar het werd al snel alles.

Geen zaterdagavond meer, want zondag moest hij vroeg weg. Geen verjaardag van Els, want hij had een wandelweekend in de Veluwe gepland. Een etentje bij Marijke en Joost ging hij uiteindelijk wel mee naartoe, maar om kwart over negen zei hij dat hij naar huis wilde omdat hij ‘morgen kilometers moest maken’.

In de auto zei ik dat hij best eens een wandeling kon overslaan.

Hij keek voor zich uit en zei: „Jij snapt niet hoe het voelt om ineens niks meer móéten te zijn.”

Dat vond ik zo’n nare zin. Alsof wij, of ik, iets waren wat hem al die jaren tegenhield.

Ik snap het misschien juist te goed. Ik merk zelf dat ik onrustig word van mijn naderende pensioen. Mensen zeggen steeds: heerlijk toch, lekker vrij. Maar vrij van wat? Op dinsdag drink ik na mijn werk soms koffie met mijn collega’s en dan denk ik ineens: over een paar maanden hoor ik daar ook niet meer vanzelf bij. De vriendengroep is dan het enige dat niet schuift. Althans, dat dacht ik.

Twee weken geleden zaten we bij Peter en Els. Kees was er niet. Els had stoofvlees gemaakt en Peter had weer te veel speciaalbier gekocht. We hadden het over onze kinderen, die allemaal druk zijn en zelden nog spontaan langskomen, over een buurvrouw die haar huis verkocht had en over de vraag of we volgend jaar nog een weekend weg wilden.

„Misschien moeten we maar eens kijken of Kees dan kan,” zei Marijke voorzichtig.

Ze bedoelde het niet lelijk, maar ik voelde mijn wangen warm worden. Ik zei: „Nou, als het aan zijn wandelschema ligt, kunnen we beter een hut in de Ardennen boeken.” Iedereen lachte. Ik ook. Iets te hard.

Later appte Marijke me apart: *Gaat het een beetje thuis? Hij lijkt zo anders.*

Ik heb pas de volgende ochtend geantwoord. *Hij zoekt zijn draai.* Dat was waar, maar niet alles.

Afgelopen donderdag bracht Kees het onderwerp zelf ter sprake. We aten aardappels met sperziebonen, heel saai eigenlijk. Hij had die dag 24 kilometer gelopen en zat met zijn voeten op een krukje.

„Ik wil iets met je bespreken,” zei hij.

Ik dacht meteen aan een wandelreis. Of een elektrische fiets, want daar had hij het ook al over gehad.

Hij zei dat hij niet meer wilde dat onze zaterdagen standaard gereserveerd stonden voor de groep. Dat het hem benauwde. Dat hij soms liever thuis wilde zijn, of vroeg naar bed, of een lange tocht wilde doen zonder zich schuldig te voelen.

„Dan ga je toch niet?” zei ik.

„Zo werkt het niet. Het is elke week. Iedereen verwacht het. En eerlijk, Anja, ik heb niet meer zoveel zin om voor de twintigste keer te horen hoe Joost zijn warmtepomp het doet.”

„Dat hoor je niet voor de warmtepomp. Dat weet je toch?”

„Nee, maar je gaat wel elke keer uit gewoonte.”

Ik zei dat gewoontes niet per se slecht zijn. Dat je op onze leeftijd niet zomaar moet doen alsof mensen inwisselbaar zijn. Hij zuchtte toen. Niet eens boos, eerder moe van mij.

„Ik wil niet de rest van mijn leven indelen rond andermans verwachtingen.”

Daarop zei ik iets waar ik niet trots op ben. Ik zei: „En ik moet blijkbaar maar wennen aan een man die ineens alleen nog aan zichzelf denkt.”

Hij werd stil. Daarna ruimde hij zijn bord af zonder iets te zeggen. Ik bleef aan tafel zitten met mijn handen om mijn glas water. Zo kinderachtig voelde het, en toch kon ik niet opstaan.

De dag erna vertelde ik Marijke niets. Ik wilde niet dat het een onderwerp werd in de appgroep, met lieve berichtjes en ongemakkelijke grapjes. Maar ik heb wel voorgesteld om komende zaterdag bij haar te eten. Zonder erbij te zeggen of Kees meegaat.

Hij weet het nog niet. Hij is nu een route aan het uitzoeken voor zondag, met van die hoogtelijnen op zijn laptop. Ik hoor hem af en toe klikken vanuit de werkkamer.

Ik denk dat ik gewoon ga. Niet als statement, al zal het misschien zo voelen. Ik wil Marijke en Els zien, en ik wil aan tafel zitten zonder eerst te hoeven bewijzen dat ik een goede reden heb om daar te zijn.

Alleen zie ik nog niet voor me hoe het wordt als ik later thuiskom en hij al slaapt, met zijn wandelschoenen netjes naast de verwarming.