Toen Sacha vertrok, bleef ik achter met mijn vader, een leeg huis en een schuldgevoel dat niet weggaat

Ik heb een tijd gedaan alsof Sacha niet echt weg was.

Haar fiets stond natuurlijk niet meer in de schuur. Haar tandenborstel was weg. In de badkamer lag alleen nog mijn scheerapparaat en zo’n halflege fles douchegel die ik zelf nooit zou kopen. Toch zette ik op sommige avonden twee borden neer. Niet bewust, denk ik. Gewoon omdat ik jarenlang voor twee had gekookt.

Dan stond ik met een pan pasta in mijn hand en dacht ik: o ja.

We waren zeven jaar samen en anderhalf jaar verloofd. Geen enorme bruiloft, dat wilden we allebei niet. Gewoon iets in het gemeentehuis, daarna eten bij De Werf in Goes, met onze ouders, mijn zus, haar vriendinnen en een paar collega’s. We hadden al een datum geprikt voor september. De aanbetaling lag er. Haar jurk was nog niet gekocht, gelukkig maar.

Het gekke is dat ik nog steeds niet precies weet wanneer het begon te schuiven.

Mijn vader kreeg in februari een lichte beroerte. Hij woont alleen sinds mijn moeder vier jaar geleden is overleden, in het huis waar ik ben opgegroeid, een vrijstaand huis aan de rand van een dorpje buiten Goes. Mijn zus Marije woont in Utrecht, heeft twee kinderen en een baan in het onderwijs. Ze kwam meteen dat eerste weekend, huilde in de gang, regelde van alles via haar laptop en reed zondagavond weer terug omdat haar jongste maandag zwemles had.

Ik neem haar dat niet kwalijk. Tenminste, dat probeer ik.

Mijn vader kon na een paar dagen weer praten, wat langzaam lopen met een stok, zelf naar de wc. Maar koken, douchen, medicijnen, afspraken bij de fysio: hij raakte het overzicht kwijt. De thuiszorg kwam ’s ochtends, maar er bleef veel liggen. Ik werkte toen bij de gemeente op de buitendienst. Prullenbakken, groenonderhoud, kleine reparaties. Je kunt daar niet zomaar drie keer per dag weg.

Dus ging ik voor mijn werk langs bij mijn vader. En na mijn werk weer. In het begin vond Sacha dat vanzelfsprekend.

“Het is je vader,” zei ze. “Natuurlijk help je hem.”

Ze maakte soep en vroor porties in. Ze ging een keer mee naar de huisarts, omdat ik op mijn werk vastzat. Ze was lief, daar kan ik niet omheen. Misschien maakt dat het juist erger dat ik achteraf heb gedaan alsof die inzet betekende dat ze het ook wilde blijven doen.

We zouden in april gaan tekenen voor een appartement in Middelburg. Niet groot, wel nieuwbouw. Drie kamers, balkon, warmtepomp, alles erop en eraan. We hadden er lang voor gespaard. Mijn vader zei ineens dat het misschien verstandiger was als wij tijdelijk bij hem zouden intrekken. Dan hoefde ik niet steeds heen en weer, en het huis was groot genoeg.

Ik zei niet meteen ja. Echt niet. Maar ik zei ook niet meteen nee.

Sacha keek me aan over de keukentafel. Ze had net haar jas nog aan.

“Ruben, wat denk jij zelf?” vroeg ze.

Ik weet nog dat ik naar de vaatwasser keek. Er stond een rood lampje te knipperen.

“Voor een tijdje misschien,” zei ik. “Tot hij weer een beetje op de rit is.”

Ze werd niet boos. Dat had misschien makkelijker geweest. Ze zei alleen: “En wie bepaalt wanneer dat is?”

Ik zei iets doms als: “Dat zien we dan wel.”

Achteraf hoor ik mezelf dat zeggen en denk ik: wat verwachtte ik eigenlijk? Dat zij haar leven, haar werk in Vlissingen, onze plannen, alles even in de wacht zou zetten omdat ik niet kon verdragen dat mijn vader alleen in dat huis zat?

Mijn vader zelf zei ook dingen die ik toen wegwuifde. Als Sacha er was, vroeg hij of ze nog koffie wilde, of hij zei dat ze best een kamer boven konden uitzoeken. Alsof het een praktisch voorstel was. Alsof zij al bij de inventaris hoorde.

Een week later belde onze hypotheekadviseur. Als we de nieuwbouw wilden houden, moesten we door. Maar ik twijfelde. Niet alleen vanwege geld, hoewel dat ook meespeelde. Ik had het gevoel dat ik mijn vader in de steek liet als ik vijfentwintig minuten verderop ging wonen, terwijl hij me nodig had.

Sacha zei dat ze het appartement wilde kopen, met of zonder mij als dat moest. Niet kwaad. Heel rustig zelfs.

Dat kwam bij mij binnen als een dreigement, terwijl het misschien gewoon eerlijkheid was.

Ik zei: “Dus dat huis is belangrijker dan mijn vader?”

Ze keek me lang aan. Daarna zei ze: “Nee. Maar ik ben ook niet minder belangrijk dan jouw vader.”

Ik heb die avond bij hem geslapen. Op de bank, omdat hij bang was om alleen te vallen. De volgende ochtend had ik zes gemiste oproepen van Sacha. Ik dacht nog: laat haar maar even afkoelen.

Dat vind ik misschien het beschamendste. Niet wat ik zei, maar dat ik dacht dat zij degene was die moest afkoelen.

Twee dagen later stond ze met haar broer voor onze deur. Ze had dozen bij zich. Mijn eerste reactie was echt paniek. Geen boosheid, geen groot drama. Gewoon een soort misselijkheid.

“Je gaat toch niet nu weg?” vroeg ik.

Ze zei dat ze al weken probeerde uit te leggen dat ze niet mijn vaders verzorger wilde worden en ook niet de vrouw die altijd op de tweede plek kwam na mijn familieplicht. Ze zei dat ze van me hield, maar dat ze zich bij mij steeds kleiner voelde worden.

Ik zei dat ik haar niet op de tweede plek zette.

“Je hoeft het niet zo te bedoelen om het toch te doen,” zei ze.

Dat was ongeveer het laatste normale gesprek dat we hebben gehad.

In het dorp wist iedereen het snel. Zo gaat dat hier. De buurvrouw van mijn vader vroeg heel voorzichtig of “dat meisje” het misschien moeilijk vond met zijn gezondheid. Mijn oom zei dat jonge mensen tegenwoordig bij de eerste tegenwind weglopen. Marije zei niks, wat ik eerst laf vond.

Later, toen we samen de medicijnrol voor mijn vader sorteerden, zei ze: “Je wilde dat iedereen zei dat jij gelijk had.”

Ik werd daar kwaad om. Ik zei dat zij makkelijk praten had vanuit Utrecht.

Ze knikte alleen. “Dat klopt. Maar je wilde ook dat Sacha jou geruststelde dat je een goede zoon was. En dat kon zij niet voor je doen.”

Daar heb ik dagen over nagedacht. Vooral omdat ik niet wist of ik haar moest tegenspreken.

Mijn vader woont nu nog steeds thuis, met meer thuiszorg en een personenalarmering. Marije en ik doen een rooster. Het is niet perfect. Hij moppert over magnetronmaaltijden en ik ben soms kortaf tegen hem, waarna ik me weer schuldig voel. Maar het lukt, min of meer.

Sacha woont inmiddels in het appartement in Middelburg. Ze heeft het uiteindelijk met hulp van haar ouders kunnen kopen. Ik weet dat doordat ik het op Facebook voorbij zag komen. Ik had haar allang moeten ontvolgen, maar dat deed ik pas nadat ik een foto zag van haar balkon met twee stoelen en plantenbakken.

Niet eens met iemand anders erbij. Juist dat maakte het pijnlijk.

Vorige maand stuurde ze me een bericht. Alleen om te vragen hoe het met mijn vader ging. Ik heb een heel verhaal getypt, gewist, opnieuw getypt. Uiteindelijk schreef ik: “Redelijk. Dank je dat je het vraagt.”

Ze stuurde een hartje terug. Zo’n klein rood ding op mijn scherm.

Ik heb het niet beantwoord. Niet omdat ik niks voel, maar omdat ik nog steeds niet weet of ik haar terug wil, of alleen terug wil naar de versie van mezelf die dacht dat alles nog geregeld kon worden.