Onze beste vrienden wilden dat we met hen mee zouden verhuizen, maar ik kon ons huis niet zomaar achterlaten
De eerste keer dat Els het woord ‘Penthouse’ gebruikte, moest ik bijna lachen.
Niet omdat het belachelijk was. Nou ja, een beetje misschien. Els en Henk wonen nu nog in een vrijstaand huis net buiten Amersfoort, met een tuin waar Henk elk voorjaar veel te vroeg begint te snoeien. Een penthouse paste voor mijn gevoel bij mensen met een gladde keuken, een wijnklimaatkast en een elektrische auto die zichzelf parkeert.
Maar ze waren bloedserieus.
Ze hadden iets gevonden in Noord-Brabant, bij Oisterwijk. Een nieuw seniorencomplex, al vonden ze zelf dat woord vreselijk. ‘Een woonhof met voorzieningen’, zei Els. Ruime appartementen, lift, restaurantje beneden, fysiotherapie in het gebouw, een logeerkamer voor kinderen en kleinkinderen, en een gezamenlijke tuin. Hun huis zou veel geld opleveren. Ze waren allebei 68, met pensioen, en wilden weg voordat het onderhoud, de trap en die grote tuin gedoe zouden worden.
Ik snapte het eigenlijk best. Henk heeft vorig jaar een lichte beroerte gehad. Hij is goed hersteld, maar sinds die tijd kijkt Els anders naar dingen. Minder alsof alles nog eindeloos door kan gaan.
Toen kwam het deel waar ik niet op gerekend had.
‘Er zijn nog twee appartementen vrij op onze verdieping,’ zei Els, terwijl ze koffie bijschonk. ‘Eentje naast ons. Dat zou toch geweldig zijn? Dan doen we het samen.’
Mijn vrouw Marjan keek mij aan. Niet lang, maar lang genoeg.
We kennen Henk en Els al sinds 1987. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Nieuwegein, met kleine kinderen, goedkope gordijnen en een tuin vol zand. Onze dochters zaten bij elkaar op school. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, zijn een keer met z’n vieren naar Texel geweest terwijl het alleen maar regende, en we hebben elkaar door van alles heen geholpen.
Toen mijn vader overleed, stond Henk onverwacht op de stoep met een tas broodjes en een pan soep die Els had gemaakt. Hij zei niet veel. Hij zette die pan gewoon op het aanrecht en vroeg waar de borden stonden.
En toen Els borstkanker kreeg, een jaar of twaalf geleden, reden Marjan en ik om beurten naar het ziekenhuis als Henk niet kon. Dat soort vriendschap dus. Geen kennissen die je alleen op een verjaardag ziet.
Toch voelde ik meteen weerstand.
Niet tegen hen. Tegen het idee dat ons leven al besloten was omdat zij een mooi plan hadden.
Marjan en ik wonen nog steeds in hetzelfde rijtjeshuis waar we onze dochters hebben opgevoed. Het is geen bijzonder huis. De badkamer is gedateerd, de berging staat te vol en de schutting moet eigenlijk vervangen worden. Maar ik ken hier iedereen. Niet heel diep misschien, maar wel echt.
Op dinsdagmorgen help ik bij de kringloop in de wijk. Marjan doet twee middagen per week taalmaatjes voor nieuwkomers in de bibliotheek. Op donderdag drink ik koffie met een paar mannen van de volkstuin, ook al heb ik zelf niet eens meer een moestuin. Onze jongste dochter woont op twintig minuten fietsen. Onze kleindochter komt soms uit school hier haar brood eten.
Dat zijn geen ‘oppervlakkige buurtcontacten’, zoals Els later zou zeggen. Het zijn misschien geen mensen met wie we veertig jaar vakantie hebben gevierd, maar ze vormen wel ons dagelijks leven.
We zijn wel mee gaan kijken in Oisterwijk. Het complex was inderdaad prachtig. Te prachtig bijna. Alles rook nieuw. Er was een ontvangstruimte met beige fauteuils waar niemand in zat, en een dame van de verkoop vertelde dat er ook yoga, lezingen en gezamenlijke diners zouden komen.
Henk liep voor ons uit alsof hij er al woonde.
‘Hier kun je gewoon oud worden zonder dat je kinderen zich zorgen hoeven te maken,’ zei hij.
Marjan kneep zacht in mijn arm. Ik wist wat ze bedoelde. Het zag er comfortabel uit. Maar ik voelde me er vreemd genoeg kleiner. Alsof we ons leven alvast gingen inpakken voordat het echt nodig was.
In de auto terug zei Marjan eerst niets. Bij de A27 begon ze ineens te huilen. Niet hard. Meer van die stille tranen die je als bestuurder ziet zonder dat je weet wat je ermee moet.
‘Ik wil Els niet kwijt,’ zei ze. ‘Maar ik wil ook niet verhuizen omdat ik bang ben haar teleur te stellen.’
We hebben daarna weken getwijfeld. We maakten lijstjes, wat natuurlijk nergens op sloeg. Oisterwijk: comfort, veiligheid, vrienden dichtbij. Nieuwegein: dochters, vrijwilligerswerk, huisarts, bekende supermarkt, ons eigen huis. Alsof je mensen en gewoontes in twee kolommen eerlijk tegen elkaar kunt wegstrepen.
Op een zondagmiddag gingen we bij Henk en Els eten. Ze hadden de makelaar al laten komen. De verkoopbrochure van hun huis lag op de eettafel, tussen de schaaltjes nootjes.
Els vroeg of wij al iets wisten over de twee appartementen.
Ik zei dat we waarschijnlijk niet meegingen.
Ik had het voorzichtig willen brengen. Ik zei dat het ons te snel ging, dat we ons nog niet toe waren aan zo’n grote stap. Dat we graag vrienden bleven, ook als zij verhuisden. Misschien zouden we vaker een paar dagen komen logeren. Misschien konden we vaste momenten afspreken.
Henk keek naar zijn bord. Els legde haar vork neer.
‘Dus jullie kiezen gewoon voor de buurt,’ zei ze.
‘Zo bedoel ik het niet.’
‘Maar zo is het wel,’ zei ze. ‘Wij vragen dit niet aan zomaar iemand. Wij dachten dat we samen oud zouden worden.’
Marjan werd bleek. Ze zei dat samen oud worden niet per se in hetzelfde gebouw hoefde. Dat klonk verstandiger dan ik me voelde.
Toen zei Henk, die normaal juist degene is die de boel lichter maakt: ‘Jullie zitten daar vastgeroest. Jullie durven niet meer.’
Dat raakte me harder dan ik verwacht had.
Ik zei dat niet iedere keuze uit angst voortkomt. Dat je ook ergens kunt willen blijven omdat je daar een leven hebt opgebouwd. Henk haalde zijn schouders op en zei dat wij blijkbaar een ander beeld van vriendschap hadden dan hij.
De rest van de avond was verschrikkelijk gewoon. Els vroeg of iemand nog koffie wilde. Henk zette de vaatwasser aan. Marjan hielp haar automatisch met afruimen, zoals ze altijd doet. Ik wilde weg, maar ook niet degene zijn die er een scène van maakte.
Sindsdien is het stroever. Niet elke dag, niet met ruzie of appjes vol verwijten. Misschien is dat nog wel lastiger. Els stuurt foto’s van het uitzicht vanaf hun toekomstige balkon. Marjan reageert met een hartje en vertelt mij daarna dat ze het niet kan opbrengen om meer te schrijven.
Vorige week belde Henk. Hij zei dat hun huis onder voorbehoud verkocht is. Daarna viel er een stilte waarin ik hem bijna hoorde wachten op iets dat ik niet kon geven.
Ik heb hem gefeliciteerd. Oprecht ook. Hij klonk opgelucht, maar niet blij zoals ik hem ken.
Ons huis staat niet te koop. Ik ga dinsdag gewoon weer naar de kringloop en Marjan heeft donderdag een afspraak met haar taalmaatje. Tegelijk hebben we in de agenda gezet dat we eind oktober een weekend naar Oisterwijk gaan, als ze eenmaal verhuisd zijn.
Ik weet niet of dat genoeg is voor hen. Eerlijk gezegd weet ik ook niet of het genoeg is voor ons.
Vanmorgen zag ik dat Els de foto van ons vieren op Facebook had vervangen door een foto van haar en Henk voor dat nieuwe complex. Ik heb ernaar gekeken, mijn telefoon op tafel gelegd en de vaatwasser uitgeruimd.