Na 32 zomers in hetzelfde Franse huis wilde mijn man niet mee naar het resort
Ik wist dat er iets niet klopte toen Pieter ineens een PowerPoint stuurde in onze vakantiegroep.
Normaal gesproken begon het in januari met iemand die vroeg: „Zullen we La Grange weer vastleggen?” En dan volgden er foto’s van het huis in de Dordogne dat we al tweeëndertig jaar huurden. De blauwe luiken, de scheve parasol bij het zwembad, de lange houten tafel waar altijd één poot wiebelde. Niet mooi op een Instagram-manier, maar voor ons voelde het als een plek waar de tijd even niet zo hard ging.
We waren met vier stellen begonnen, nog met kleine kinderen die ’s avonds met zaklampen door de tuin renden. Inmiddels waren we allemaal ergens tussen de 64 en 69. Twee stellen waren er nog. Wij, ik en mijn man Henk, en Maarten en Sylvia. De kinderen kwamen al jaren niet meer mee. Soms een kleinkind een weekje, maar meestal waren we met z’n achten, als je de losse aanhang van Sylvia’s zus meetelde.
In die PowerPoint stonden foto’s van een resort aan de Côte d’Azur. Witte ligbedden. Een zwembad dat overging in zee. Een restaurant met van die kleine bordjes waar Henk altijd hongerig van thuiskomt. Wellness, tennisbanen, een shuttle naar Saint-Tropez. Onder elke foto stond iets als: ‘Nu mag het wel eens comfortabeler.’
Maarten had eronder gezet: ‘Geen gedoe meer met beddengoed, boodschappenlijstjes en die vreselijke badkamer boven. We hebben het verdiend.’
Ik schaam me om dit toe te geven, maar mijn eerste reactie was: wat ziet dat er heerlijk uit.
Ik had ineens zin om niet op de eerste dag met Sylvia naar de Intermarché te rijden voor kratten water, wc-papier en zes soorten kaas waarvan we er uiteindelijk maar drie aten. Ik had zin in schone handdoeken die vanzelf verschenen. In niet wakker worden omdat Henk om half zeven op de krakende trap naar beneden ging om koffie te zetten.
Henk zat tegenover me aan de keukentafel met zijn leesbril laag op zijn neus. Hij klikte door de dia’s en zei niets.
Toen hij klaar was, schoof hij zijn telefoon naar mij toe.
„Dat kost bijna vierduizend euro per stel voor tien dagen,” zei hij.
„Inclusief eten, volgens mij.”
„Dan kost het alsnog bijna vierduizend euro.”
Ik zei dat we het konden betalen. Dat was ook zo, in theorie. Henk had vroeger bij de gemeente gewerkt, ik in een verloskundigenpraktijk, eerst als assistente en later aan de balie. We hadden geen enorm pensioen, maar wel een afbetaald rijtjeshuis in Amersfoort en geen kinderen die nog financieel op ons leunden.
Hij keek me aan alsof ik iets anders bedoelde dan wat ik zei.
„Het gaat niet alleen om dat geld, Els.”
„Nee,” zei ik. „Dat snap ik.”
Maar ik snapte het niet helemaal. Of misschien wilde ik dat niet.
De week erna gingen we bij Maarten en Sylvia eten. Maarten had sinds zijn pensioen een soort haast gekregen. Hij was altijd al degene die de beste wijn meenam en als eerste een elektrische auto had, maar vroeger deed dat er niet zoveel toe. Nu leek hij bang dat hij te laat was met genieten. Hij vertelde over vrienden die ziek waren geworden, over een oud-collega die vlak na zijn pensioen was overleden.
„We wachten al ons hele leven,” zei hij terwijl hij de zalm uit de oven haalde. „Later dit, later dat. Nou, later zijn we nu.”
Dat vond ik eigenlijk niet onredelijk.
Henk zei dat later ook betekende dat je wist wat je belangrijk vond. Hij zei het rustig, maar ik hoorde aan zijn stem dat hij zich al had ingegraven.
„La Grange is toch geen strafkamp,” zei hij. „We hebben daar alles. Een zwembad, een barbecue, een dorpje op tien minuten. Waarom moet alles ineens chique?”
Maarten trok zijn schouders op. „Omdat ik geen zin meer heb om met een kapotte vaatwasser te hannesen op mijn vakantie.”
„Die vaatwasser was één keer kapot.”
„En die matrassen zijn dramatisch.”
Sylvia probeerde nog te lachen. Ze zei dat we misschien om de beurt konden kiezen. Maar Maarten schudde zijn hoofd. Hij wilde niet meer terug naar het oude huis. Zo zei hij het ook echt: het oude huis. Alsof het een jas was die je eindelijk wegdoet omdat hij niet meer past.
Later, in de auto, zei Henk: „Hij doet alsof wij hem tegenhouden in zijn leven.”
Ik zei dat Maarten het misschien gewoon anders wilde.
„Prima. Maar waarom moet iedereen dan mee?”
Dat was het punt waar ik niets goeds op wist te zeggen.
In de groepsapp werd het daarna steeds vervelender, op die beleefde manier die bijna erger is. Sylvia stuurde links naar twee resorts die iets goedkoper waren. Anja, de vrouw van een van de stellen die inmiddels meestal apart boekt, reageerde met hartjes en schreef dat ze ‘wel toe was aan een beetje verwend worden’. Henk hield zich stil.
Ik ook, eerst.
Toen stuurde Maarten op een zondagmiddag: ‘Ik vind het eerlijk gezegd jammer dat er zo moeilijk wordt gedaan. Als mensen niet mee willen, is dat hun keuze, maar zeg dan niet dat de groep belangrijk voor je is. Dit is juist een kans om iets nieuws samen te doen.’
Ik las dat bericht drie keer.
Henk zat in de tuin met zijn krant. Het was april, koud voor de tijd van het jaar. Hij had net de dode lavendel teruggesnoeid. Ik liep naar buiten met mijn telefoon in mijn hand.
„Dit slaat toch nergens op?” zei ik.
Hij las het en knikte alleen.
„Hij zegt eigenlijk dat wij de groep opblazen.”
„Hij zegt dat niet letterlijk.”
Henk keek op. „Els, kom op.”
Ik weet nog dat ik boos werd, juist omdat ik voelde dat hij gelijk had. Ik zei dat hij overal een aanval in zag. Dat hij Maarten al jaren irritant vond zodra hij het iets beter voor elkaar had. Dat hij deed alsof La Grange een monument was waar niemand aan mocht komen.
Henk zei heel zacht: „Ik vind het vooral pijnlijk dat jij liever naar dat resort wilt dan met mij naar Frankrijk zoals we dat altijd deden.”
Daar schrok ik van. Want zo simpel was het niet. Ik wilde niet zonder Henk. Ik wilde ook niet zonder Sylvia, met wie ik al sinds onze kinderen op de basisschool zaten alles had gedeeld: mantelzorg, scheidingen van broers, de eerste keer dat je kind op kamers gaat, de rare leegte daarna.
Maar ik wilde ook niet degene zijn die altijd nee zei omdat het vroeger leuk was.
Die avond hebben we naast elkaar televisie gekeken. Een programma over verbouwen, geloof ik. Geen van beiden keek echt.
De dagen daarna stuurde Sylvia me privéberichten. Ze schreef dat Maarten te hard was geweest. Daarna schreef ze dat ze hoopte dat Henk niet ‘zo’n principekwestie’ van alles maakte. Toen vroeg ze of ik misschien alleen mee wilde, eventueel met haar op één kamer als de prijzen anders te hoog werden.
Ik heb dat bericht niet meteen beantwoord. Ik voelde me er zelfs schuldig om dat voorstel, terwijl ik het ook ontzettend aantrekkelijk vond: een week zon, mooie lakens, lange lunches, en niemand die mij zag als de vrouw die ergens tussen haar man en haar vrienden was blijven steken.
Vorige week belde ik La Grange zelf. De eigenaresse, Madame Besson, nam op. Haar Nederlands is nog steeds beter dan mijn Frans. Ze zei dat onze gebruikelijke twee weken voorlopig voor ons waren geblokkeerd, omdat ze wist dat we altijd kwamen.
„Comme chaque année?” vroeg ze.
Zoals elk jaar?
Ik zei dat ik het nog niet wist.
Vanavond hebben Henk en ik afgesproken dat hij, als hij wil, met onze camper naar de Dordogne gaat. Hij heeft die vorig jaar gekocht, veel te groot naar mijn smaak, maar hij is er gek op. Ik heb gezegd dat ik nog geen besluit neem over dat resort. Maarten wil deze week aanbetalen.
Henk reageerde niet boos. Hij zei alleen: „Je moet doen wat je nodig hebt, Els.”
Dat maakt het moeilijker dan wanneer hij had geschreeuwd.
De reservering van La Grange loopt morgen af. Mijn naam staat nog steeds in het formulier. Ik heb de laptop dichtgeklapt, maar niet uitgezet.