Mijn man wil onze tuin niet verlaten, maar ik weet niet hoe lang ik ons huis nog aankan
Ik merk het vooral aan de wasmand.
Vroeger tilde ik die zonder nadenken van de badkamer op de eerste verdieping naar beneden, zette hem op de overloop als ik halverwege iets anders ging doen, en liep later weer terug omhoog. Nu kijk ik er soms eerst een paar minuten naar. Niet omdat ik geen zin heb, maar omdat ik al weet wat mijn heup gaat doen als ik de trap af ben.
Ik ben 71, mijn man Henk is 74. We wonen sinds 1982 in een vrijstaand huis net buiten Deventer. Toen we het kochten, vonden mensen het bijna te groot voor ons tweeën en onze zoon die toen nog op de basisschool zat. Maar Henk zag alleen de tuin. Bijna achthonderd vierkante meter grond, met een oude appelboom, een schuurtje dat op instorten stond en een strook waar vroeger waarschijnlijk aardappels hadden gestaan.
Hij heeft er iets bijzonders van gemaakt. Niet op zo’n keurige, aangeharkte manier met overal hetzelfde grind, maar echt levend. Er staan fruitbomen, bessenstruiken, hoge borders waar bijen op afkomen en achterin een moestuin met kromme paadjes. Hij maakt zijn eigen compost. Hij weet precies welke merel ieder voorjaar als eerste terugkomt, al geloof ik eerlijk gezegd niet dat hij dat echt kan weten.
Henk was vroeger onderhoudsmonteur bij de gemeente. Hij heeft altijd gezegd dat hij pas echt met pensioen wilde als hij meer tijd voor de tuin had. En dat heeft hij gedaan. Om half acht staat hij er soms al, met zijn oude groene vest aan, ook als het nog fris is. Dan hoor ik de achterdeur en daarna het gerommel met potten.
Ik heb nooit zo van tuinieren gehouden als hij. Ik vond het wel fijn om er te zitten, met koffie en de krant. En ik hielp vroeger mee met bonen doppen, jam maken, onkruid trekken. Maar de afgelopen twee jaar is de tuin voor mij vooral iets geworden waar ik omheen moet werken.
De ramen moeten gelapt worden. De dakgoot moet in de gaten worden gehouden. Er is altijd wel iets met de schutting, de buitenkraan of bladeren in de herfst. Binnen zijn er drie slaapkamers die we nauwelijks gebruiken, maar die wel stof verzamelen. De badkamer is boven. De wc beneden is klein en er zit geen douche. Alles kan, natuurlijk. Als je maar voorzichtig doet. Maar ik word zo moe van steeds voorzichtig moeten doen.
Vorige winter ben ik op de laatste trede uitgegleden. Niet hard gevallen, gelukkig. Mijn arm zat een week blauw en ik had vooral mijn trots gekneusd. Henk schrok enorm. Die avond zei hij nog dat we misschien een traplift moesten bekijken.
De volgende ochtend stond hij in de tuin een afgebroken tak uit de perenboom te zagen, alsof dat gesprek niet had plaatsgevonden.
Onze zoon Mark woont met zijn vrouw en twee kinderen in Amersfoort. Niet aan de andere kant van de wereld, maar ook niet even om de hoek. Hij komt meestal eens in de drie weken langs. Hij helpt dan met de computer, kijkt naar een lekkende kraan of neemt Henk mee naar de bouwmarkt. De laatste tijd kijkt hij ook anders naar mij. Niet overdreven bezorgd, maar wel oplettend.
Toen ik in april na een dagje oppassen bij hem thuis niet meer soepel uit zijn lage bank kwam, zei hij: “Mam, waarom zouden jullie niet alvast naar hier in de buurt kijken? Gewoon eens kijken. Er komen best mooie huurappartementen vrij, gelijkvloers, lift, supermarkt dichtbij.”
Ik zei dat ik erover zou nadenken. Dat zei ik vooral omdat Henk in de keuken stond en ik geen gedoe wilde.
Maar Mark liet het niet helemaal los. Hij stuurde links naar appartementen. Geen luxe penthouses, gewoon nieuwbouw of seniorenwoningen met een balkon en een berging. Hij had zelfs uitgezocht wat ons huis ongeveer zou kunnen opleveren. Daar schrok ik van. Niet vanwege het bedrag, maar omdat het ineens voelde alsof ons leven in Funda-termen werd besproken: energielabel, woonoppervlakte, perceelgrootte, aanvaarding in overleg.
Henk wilde er niets van weten.
“Dat is toch geen leven, driehoog achter met een plastic plant op je balkon?” zei hij toen Mark er tijdens een zondagse lunch over begon.
“Pap, ik heb het niet over driehoog achter. Ik heb het over een plek waar mam niet iedere dag trappen hoeft te lopen.”
“Ik kan toch ook beneden een bed zetten als het moet?”
Daar werd ik boos van, meer dan ik had verwacht. Niet eens om dat bed. Maar omdat hij het zei alsof mijn probleem pas bestond op het moment dat ik helemaal niet meer naar boven kon.
“En waar moet ik dan douchen, Henk?” vroeg ik.
Hij keek naar zijn bord. Mark ook. Mijn kleindochter, die acht is, vroeg of ze nog een broodje mocht.
Een paar weken later kwam Mark alleen langs. Hij had zijn laptop mee en zat met mij aan de eettafel, terwijl Henk achter in de tuin bezig was met netten over de kersen. Mark vertelde dat hij en zijn vrouw ons eventueel financieel konden helpen met de verhuiskosten, schilderwerk en misschien de eerste maanden huur als dat nodig was. Niet omdat wij niets hebben, zei hij meteen, maar omdat hij wilde dat we niet alles zouden uitstellen uit angst voor gedoe of kosten.
“Maar alleen als jullie het nu serieus gaan doen,” zei hij. “Niet pas na weer een val of als pap het ook niet meer redt.”
Ik voelde me daar ongemakkelijk bij. Alsof hij al bezig was ons leven op te ruimen. Tegelijkertijd voelde ik een opluchting die ik niet wilde toegeven. Iemand die zei: we kunnen dit regelen. Je hoeft niet alles zelf te blijven dragen.
Henk hoorde natuurlijk genoeg om te begrijpen waar het over ging. Die avond zei hij nauwelijks iets. Hij at zijn aardappels op, zette zijn bord in de vaatwasser en ging boven douchen. Dat doet hij normaal nooit zonder nog even in de woonkamer te zitten.
De dag erna vond ik hem bij de composthoop. Hij zat op zijn hurken tussen twee kratten met jonge plantjes. Zijn handen waren zwart van de aarde.
“Jullie hebben het zeker al besloten,” zei hij.
Ik zei dat dat niet zo was.
“Wel dus. Mark koopt zich in en jij vindt het wel makkelijk.”
Dat was oneerlijk, en ik zei dat ook. Ik vertelde hem dat ik niet wíl verhuizen omdat ik zo graag in een appartement zit. Ik wil niet weg van de appelboom. Ik wil de buren niet missen. Ik wil niet mijn servies uitzoeken en afscheid nemen van een huis waar onze zoon zijn eerste stappen zette.
Maar ik wil ook niet dat mijn wereld steeds kleiner wordt omdat ons huis te groot is.
Hij werd niet boos. Dat was bijna erger. Hij keek naar de grond en zei: “Die tuin is het enige waar ik nog echt goed in ben.”
Toen wist ik even niets meer. Want dat is ook waar. Sinds hij met pensioen is, is hij rustiger geworden door die tuin. Minder somber ook. Hij geeft stekjes weg aan mensen uit de straat en praat met iedereen die langs het hek blijft staan. Als ik hem vraag wat hij die dag heeft gedaan, kan hij soms twintig minuten vertellen over slakken, zonder dat ik echt luister, maar ik luister dan toch.
Vorige week zijn Mark en ik naar twee appartementen wezen kijken. Henk ging niet mee. Het ene was somber en rook naar nieuw tapijt. Het andere lag vlak bij een park en had een brede badkamer, een lift en een balkon waar je met wat grote bakken best kruiden en tomaten zou kunnen zetten.
Ik heb geen toezegging gedaan. Ik heb zelfs de makelaar gezegd dat we nog helemaal aan het begin staan.
Thuis vroeg Henk alleen: “Was het wat?”
Ik zei: “Eén was minder erg dan ik dacht.”
Hij knikte, pakte zijn tuinhandschoenen van de bijkeukenplank en ging naar buiten. Een uur later zag ik hem vanaf het keukenraam een paar jonge aalbessenstruiken verplaatsen naar potten. Misschien omdat ze daar beter staan. Misschien ook niet.
Ik heb hem niet gevraagd waarom.