Ik bleef voor mijn vader zorgen terwijl mijn zus haar leven opnieuw begon
De maaltijdbezorger kende mijn vader inmiddels bij naam.
“Goedemiddag, meneer Van Dijk. Stamppot vandaag?” riep hij dan door de kier van de deur, omdat mijn vader hem vaak niet meteen hoorde.
Mijn vader antwoordde meestal te laat. Of hij zei: “Nee hoor, mijn vrouw kookt.” Mijn moeder was toen al bijna acht jaar dood.
In het begin verbeterde ik hem nog. Daarna niet meer. Je kunt iemand niet elke dag opnieuw vertellen dat hij alleen is, alleen omdat jij de waarheid beter aankunt dan hij.
Ik ben 52, werk als planner bij een installatiebedrijf in Amersfoort en woon met mijn vriendin Saskia in een rijtjeshuis in Vathorst. Mijn vader woont nog in het oude huis in Soest, waar mijn zus Marije en ik zijn opgegroeid. Sinds zijn geheugen achteruitging, kom ik er bijna elke dag. Niet altijd lang. Soms alleen om te kijken of hij zijn medicijnen heeft genomen, de post van de deurmat te rapen en te controleren of de verwarming niet op 26 staat.
Toen de huisarts voor het eerst voorzichtig over beginnende dementie begon, zaten Marije en ik bij mijn vader aan de keukentafel. Hij roerde in koffie die al koud was.
Marije pakte mijn hand onder tafel vast. Ze zei: “We doen dit samen, hè?”
Dat vond ik op dat moment zo vanzelfsprekend dat ik er niet eens goed op reageerde. Ik knikte alleen.
De eerste maanden deden we het ook echt samen. Zij ging op maandag en donderdag langs. Ik op dinsdag, vrijdag en in het weekend. We hadden een gedeelde agenda op onze telefoon. Marije belde met de casemanager dementie, ik regelde de boodschappen via Albert Heijn. We maakten grappen over hoe onze vader vroeger alles voor ons besliste en nu een discussie kon voeren met de magnetron omdat die piepte.
Het was zwaar, maar het voelde niet eenzaam.
Toen kreeg Marije een aanbod bij haar werk. Ze is grafisch vormgever en kon voor een bureau in Rotterdam werken, deels vanuit huis, zei ze eerst. Daarna bleek dat haar vriend Ruben daar ook een baan had gevonden. Ze gingen in Rotterdam wonen. Tijdelijk, volgens haar.
Ik zei dat ik het haar gunde. Dat deed ik ook. Tenminste, ik wilde dat graag voelen.
Maar tijdelijk werd twee jaar. Die maandag en donderdag werden af en toe een zondagmiddag. Vervolgens een keer per drie weken, als er niets tussenkwam. Ruben zijn ouders woonden in Zeeland, haar schoonzus kreeg een baby, ze hadden een weekendje weg geboekt, ze moest opladen. Altijd zat er iets tussen. En ik snapte alles afzonderlijk.
Dat maakte het juist irritant. Als iemand gewoon ronduit zou zeggen: ik wil dit niet, dan kon ik boos worden. Maar Marije zei steeds dingen als: “Bas, jij bent er ook gewoon beter in.”
Alsof het een talent was. Alsof ik op school al had gekozen voor het vak Vader Langzaam Kwijtraken.
Saskia begon het eerder te zien dan ik. Ik zat tijdens het eten met één oog op mijn telefoon. Als mijn vader na acht uur belde, nam ik op, ook als we net een film hadden aangezet.
“Bas, waar is mijn portemonnee?”
“Waarschijnlijk in de la bij de telefoon, pap.”
“Daar ligt alleen rommel.”
Dan reed ik toch. Twintig minuten heen, twintig minuten terug. Soms lag die portemonnee gewoon in zijn jaszak. Een keer zat hij op de rand van zijn bed met zijn schoenen nog aan, omdat hij dacht dat hij naar zijn werk moest. Hij was al vijftien jaar met pensioen.
Saskia zei nooit dat ik niet mocht gaan. Dat maakt het erger. Ze zette mijn bord in de koelkast, deed de deur open als ik thuiskwam en vroeg zacht of het ging.
Op een vrijdagavond, ik weet nog dat we patat hadden gehaald omdat we allebei geen zin hadden om te koken, zei ze: “Ik ben bang dat jij straks omvalt voordat je vader dat doet.”
Ik werd meteen kwaad. Niet eens op haar, denk ik. Ik zei dat zij makkelijk praten had, dat mijn vader niet zomaar een klusje was dat je kon uitstellen.
Ze werd stil. Daarna zei ze: “Dat zeg ik ook niet.”
Ik heb die nacht op de bank geslapen, vooral omdat ik te beschaamd was om naast haar te liggen.
De ergste middag was in november. Mijn vader had de waterkoker op het gasfornuis gezet. Het was gelukkig een elektrische en hij was gesmolten voordat er brand kwam, maar de keuken stonk naar plastic. Ik stond met de ramen open en mijn jas nog aan, terwijl mijn vader aan tafel zat te mopperen dat ik altijd overal zo’n toestand van maakte.
Ik belde Marije. Ze nam niet op. Ik stuurde een foto van het fornuis en schreef: Kun je me terugbellen? Echt even.
Pas drie uur later kreeg ik een spraakbericht. Ze zat in een wellnesshotel, hoorde ik aan het galmende geluid en aan Ruben die ergens lachte.
“Wat heftig, Bas. Maar je moet ook niet alles alleen willen oplossen. Misschien is het tijd voor meer hulp. Bel maandag de casemanager, oké? Ik ben zondag weer thuis.”
Ik luisterde het bericht twee keer. Vooral naar die zin: je moet ook niet alles alleen willen oplossen.
Alsof ik dat uit hobby deed.
Die avond heb ik haar een lange app gestuurd. Veel te lang. Over alle afspraken die ze had afgezegd. Over de administratie die ik inmiddels deed. Over de was, de huisarts, de apotheek, de buurvrouw die mij appte als mijn vader zonder jas buiten liep. Ik schreef dat ik niet haar vervanger wilde zijn. Ik schreef ook iets gemeens over Ruben, waar ik later spijt van had.
Ze belde pas de volgende ochtend.
Marije huilde bijna meteen. Ze zei dat ze zich schuldig voelde iedere keer als ze mijn naam op haar scherm zag. Dat ze bij papa binnenkwam en na tien minuten al benauwd werd, omdat hij haar soms niet herkende. Dat ze bang was dat haar hele leven kleiner zou worden als ze terug naar Soest kwam of ieder weekend beschikbaar moest zijn.
“En jij denkt dat ik daar niet bang voor ben?” zei ik.
Dat was niet eens een vraag. Ik wilde haar pijn doen, denk ik.
Ze zei heel zacht: “Nee. Jij lijkt altijd alsof je het aankunt.”
Dat bleef nog dagen in mijn hoofd hangen. Niet omdat het waar was, maar omdat ik zelf blijkbaar had geholpen dat beeld overeind te houden. Ik had haar niet verteld dat ik soms in de auto bleef zitten voordat ik naar binnen ging. Dat ik dan naar zijn donkere woonkamer keek en hoopte dat hij niet thuis was, gewoon zodat ik een avond niet hoefde.
De maandag daarna heb ik inderdaad de casemanager gebeld. We hebben nu thuiszorg voor de medicatie en er komt twee keer per week iemand van de dagbesteding hem ophalen. Mijn vader vindt die man, Henk, een idioot, maar hij gaat wel mee als Henk zegt dat er koffie en kaarten zijn.
Marije komt nu één zaterdag per twee weken. Meestal. Soms zegt ze af, maar ze zegt het eerder dan vroeger. Ik merk dat ik haar nog steeds tel: hoeveel uur ze er is, of ze uit zichzelf de koelkast schoonmaakt, of ze haar telefoon weglegt als papa hetzelfde verhaal voor de vierde keer vertelt. Daar word ik zelf ook moe van.
Vorige week stond ik bij mijn vader in de gang toen hij me aankeek alsof hij ergens naar zocht.
“Ben jij mijn jongen?” vroeg hij.
Ik zei ja.
Hij knikte, opgelucht bijna. Daarna vroeg hij of Marije nog langskwam.
Ik zei dat ze zaterdag zou komen. Dat was waar, op dat moment.
In de auto naar huis belde Saskia. Ze vroeg of ik nog langs de supermarkt moest. Ik zei dat ik er al was geweest, terwijl dat niet zo was. Thuis stond er alleen een halve zak sla in de koelkast en bier dat over de datum was.
Ik ben toen alsnog naar de Albert Heijn gegaan. Ik kocht pasta, wc-papier, koffie en veel te dure aardbeien. Geen idee waarom die aardbeien. Misschien omdat ik even iets wilde meenemen dat niet noodzakelijk was.