Ik werd mantelzorger voor mijn moeder, maar op een gegeven moment voelde ik me alleen nog haar dienstregeling
Ik heb het geluid van mijn moeders vaste telefoon nog steeds in mijn hoofd. Drie korte tonen, een pauze, en dan weer. Ze belde vroeger alleen op de vaste lijn als ze vond dat iets echt niet kon wachten.
Die dinsdagavond had ik net mijn schoenen uit. Ik was om half zeven thuis uit Nieuwegein, natgeregend vanaf de bushalte, en ik had een diepvriespizza in de oven geschoven. Niet bijzonder gezond, maar ik had die dag twaalf keer hetzelfde probleem uitgelegd aan verschillende collega’s en ik wilde even niemand meer helpen.
Mijn mobiel lag in mijn jaszak. Daar stonden al vier gemiste oproepen van mam op.
Toen de vaste telefoon ging, wist ik eigenlijk al dat ik moest opnemen. Dat is het irritante: je weet het voordat je erover nadenkt.
‘Waar was je?’ vroeg ze meteen.
Niet: hallo, of gaat het. Waar was je.
Ik zei dat ik onder de douche had willen stappen en mijn telefoon niet had gehoord.
‘Ik had je om vijf uur al nodig.’
‘Mam, het is nu kwart over zeven.’
‘Ja, nou, toen heb ik het zelf maar gedaan.’
Ze zei het op die toon die ik inmiddels kende. Niet boos genoeg om er ruzie van te maken, wel precies zo dat ik me een waardeloze zoon voelde. Het ging om een formulier van de gemeente dat ze in haar DigiD-berichtenbox had zien staan. Waarschijnlijk iets over de huishoudelijke hulp. Ze had het zelf niet durven openen, bang dat ze per ongeluk iets zou wegklikken.
Ik zei dat ik woensdagavond langs zou komen. Ze zuchtte en zei: ‘Als het dan maar niet te laat is.’
Mijn pizza was ondertussen zwart aan de rand.
Mijn moeder is 79. Ze woont nog in het rijtjeshuis in Houten waar ik ben opgegroeid. Mijn vader is zes jaar geleden overleden. Na zijn dood redde ze zich verrassend goed. Ze ging nog naar aquajoggen, dronk koffie met twee vrouwen uit de straat en mopperde op de politiek alsof dat een vaste hobby was.
Anderhalf jaar geleden viel ze in de badkamer. Haar heup was niet gebroken, gelukkig, maar ze werd onzeker. Daarna kwam er van alles bij: duizeligheid, slecht slapen, een paar keer bijna vallen. De thuiszorg kwam ’s ochtends voor de steunkousen en later kregen we via de Wmo huishoudelijke hulp voor een paar uur per week.
In het begin vond ik het logisch dat ik meer deed. Ik woon twintig minuten fietsen van haar vandaan. Mijn jongere zus, Marije, woont in Groningen met haar gezin. Zij komt regelmatig, echt wel, maar niet op een woensdagavond omdat de printer het niet doet.
Dus ik deed de boodschappen. Eerst één keer per week. Daarna ook de apotheek, de vuilnisbak buiten zetten, lampen vervangen, afspraken bij de huisarts noteren. Ik maakte een map met wachtwoorden, omdat mam steeds briefjes kwijt was. Ik bestelde een personenalarm, hoewel ze dat ding eerst beledigend vond.
‘Ik ben toch geen oud mens,’ zei ze.
Twee weken later belde ze me omdat het bandje ervan niet lekker om haar pols zat.
Ik ben 46, werk vier dagen per week bij een softwarebedrijf en woon alleen. Dat laatste maakte het blijkbaar makkelijker. Niemand zat thuis op mij te wachten, dus kon ik volgens iedereen ‘wel even’. Mijn zus zei dat niet letterlijk, maar het hing altijd in de lucht.
Ook bij mezelf trouwens. Ik had geen kinderen. Ik had geen partner die met een pan stamppot klaarstond. Ik had dus tijd, dacht ik. Of ik dacht het niet eens. Ik deed gewoon wat er gevraagd werd.
Pas toen ik vorig voorjaar een weekend naar Texel wilde met mijn vriend Bas, merkte ik hoe vast alles was geworden. Bas en ik waren toen net acht maanden samen. We gingen vrijdag na mijn werk en zouden zondag terugkomen. Mijn moeder wist het al weken.
Op donderdagavond belde ze.
‘Je hebt toch niet vergeten dat zaterdag de ramen gewassen moeten worden?’
Ik dacht eerst dat ze een grap maakte.
‘Mam, ik ben weg dit weekend.’
‘Maar die man komt altijd op zaterdag.’
‘Dan bel je hem toch af? Of hij komt een andere keer.’
Er viel een stilte. Daarna zei ze: ‘Nou ja. Als jij vindt dat dat kan.’
Bas zat tegenover me aan tafel. Hij zei niks, maar ik zag hem naar zijn glas kijken. Ik belde de glazenwasser alsnog. Hij kon de week erna komen. Mijn moeder zei dat hij dan misschien geen plek meer had voor haar, alsof ik haar zorg had afgenomen in plaats van één afspraak verzet.
Op Texel was ik voortdurend met haar bezig. Niet eens omdat ze veel belde; ze belde maar twee keer. Maar ik controleerde mijn telefoon bij het ontbijt, op het strand, in het restaurant. Bas zei op zaterdagmiddag: ‘Je bent hier, maar je bent niet echt weg.’
Daar had ik geen goed antwoord op.
Een maand later stelde de huisarts voor om via het buurtteam te kijken naar extra ondersteuning en misschien dagbesteding. Mijn moeder werd daar kwaad om. Niet schreeuwen, dat doet ze nooit. Ze trok haar mond strak en zei dat ze geen ‘opvang’ nodig had.
‘Ik vraag jou toch ook niet om een hele dag?’ zei ze.
Dat was precies waar het misging. Ze vroeg nooit om een hele dag. Ze vroeg om twintig minuten hier, een boodschap daar, even meekijken, even wachten op een monteur. Maar die stukjes waren overal tussendoor gaan zitten. Ik kon niet spontaan na mijn werk met iemand eten. Ik nam op zondag geen trein naar Bas in Amersfoort zonder eerst te bedenken of mam nog brood had. Als ik niet reageerde, stuurde ze soms een bericht naar Marije: “Ik krijg Erik niet te pakken.” Dan belde Marije bezorgd mij, alsof ik iets gevaarlijks aan het doen was.
Ik werd kortaf. Dat moet ik eerlijk zeggen. Ik zei dingen als: ‘Je kunt ook zelf eerst even proberen.’ En: ‘Ik kan niet iedere dag.’ Soms hoorde ik mezelf en dacht ik: wat ben je aan het doen, ze is je moeder. Ze vraagt hulp omdat ze bang is.
Maar ik werd ook boos op haar omdat ze mijn boosheid niet leek te zien. Of misschien wilde ze die niet zien.
Die dinsdag met de verbrande pizza kwam de boel eruit. De volgende avond ging ik naar haar toe voor dat formulier. Ze had koffie gezet en een pak stroopwafels opengetrokken. Alsof er niks was.
Ik logde in met haar DigiD. Het bleek een simpele vraag over de verlenging van de hulp. Vijf minuten werk.
Toen zei ik dat ik niet meer altijd bereikbaar kon zijn. Ik had het in mijn hoofd voorbereid, rustig en redelijk. Ik zei dat we vaste momenten moesten afspreken. Maandagavond boodschappen, woensdagavond administratie of klusjes als het nodig was. Bij spoed kon ze het personenalarm gebruiken of 112 bellen, niet eerst drie keer mij.
Ze keek naar mijn handen op tafel.
‘Dus ik moet een afspraak maken als ik mijn eigen zoon nodig heb?’
Ik zei dat het niet zo bedoeld was.
‘Nee,’ zei ze. ‘Maar zo voelt het wel.’
Ik werd toen harder dan ik wilde. Ik zei dat ik geen thuiszorgorganisatie was. Dat ik soms gewoon moe was. Dat ik het gevoel had dat mijn leven alleen nog uit haar lijstjes bestond.
Ze begon niet te huilen. Dat had misschien makkelijker geweest. Ze zei alleen: ‘Je vader zou dit verschrikkelijk vinden.’
Daarna was ik degene die huilde, in mijn auto op de parkeerplaats. Belachelijk hard ook. Ik was woedend op haar, maar vooral omdat een deel van mij dacht dat ze gelijk had.
Marije vond dat ik het anders had moeten brengen. Daar heeft ze ook een punt. Ze belde mam de dagen erna elke avond, en zei tegen mij dat mam erg gekwetst was. Tegelijk zei ze niet dat zij voortaan iedere woensdag de administratie zou doen. Groningen bleef Groningen.
We hebben inmiddels een vrijwilliger via het buurtteam die eens per twee weken met mam de post doorneemt. De huishoudelijke hulp zet soms ook een online bestelling voor haar klaar. Mijn moeder vindt het allemaal nog steeds onpersoonlijk. Ik ook, als ik eerlijk ben. Maar ik ga nu niet meer meteen als ze belt.
Soms laat ik hem overgaan. Dan zit ik met mijn handen in mijn schoot en wacht ik eerst tot het schuldgevoel iets minder hard bonst.
Vorige week belde ze op zondagmiddag. Ik nam na een kwartier op.
‘Ik wilde alleen vragen hoe Texel was,’ zei ze.
Ik wist even niet wat ik moest zeggen. Uiteindelijk vertelde ik haar over de zeehonden die we vanaf de boot hadden gezien. Ze zei dat ze dat leuk vond. Daarna vroeg ze of ik woensdag misschien naar een kapotte keukenkastdeur kon kijken.
Ik zei: ‘Woensdag na zevenen.’
Ze antwoordde: ‘Goed, jongen.’
En ik merkte dat ik daar de hele avond aan bleef denken.