Na veertig jaar vriendschap kon ik niet applaudisseren voor hun beslissing

De groepsapp heet nog steeds “De Vrijdagclub”, alsof we allemaal nog vijfentwintig zijn en na het volleyballen in de kantine blijven hangen. In werkelijkheid zijn we tussen de 64 en 69, hebben we kunstknieën, kleinkinderen, leesbrillen en afspraken bij de mondhygiënist die we met elkaar bespreken alsof het wereldnieuws is.

Mijn vrouw Els en ik horen er vanaf het begin bij. Acht stellen waren we ooit. Nu zijn we nog zes. Twee huwelijken zijn gestrand, één man is overleden en zijn vrouw komt soms nog alleen, als ze daar zin in heeft. Iedere vrijdagavond om acht uur zitten we beurtelings bij iemand thuis. Koffie, wijn, blokje kaas, een schaal borrelnootjes. We kennen elkaars verhalen zo goed dat we de clou soms al vóór de verteller invullen.

Henk en Marjan waren altijd de meest uitgesprokenen van ons. Zij gingen naar demonstraties toen wij nog dachten dat een petitie tekenen al behoorlijk betrokken was. Dat vonden we ook wel mooi aan hen. Henk kon zich ergens echt druk om maken. Marjan las alles, knipte artikelen uit, stuurde links door waar niemand om had gevraagd. Maar het bleef meestal bij stevige gesprekken aan tafel. Daarna ging de muziek aan en werd er gewoon gelachen.

Tot afgelopen voorjaar.

Marjan vertelde op een vrijdag, bijna tussen de olijven en de tapenade door, dat zij en Henk hun huis wilden verkopen. Niet kleiner wonen, zoals Els en ik voorzichtig dachten. Nee, alles verkopen. Huis, beleggingen, die oude spaarpot waar Henk altijd vaag over deed. Ze wilden een groot deel van hun vermogen schenken aan “Nederland Voor Morgen”, een beweging die volgens hen de politiek eindelijk wilde opschudden.

Ik kende die naam vooral uit discussies op televisie. De beweging riep op tot harde grensmaatregelen, minder macht voor “de gevestigde orde” en een soort nationale herstart waar ik eerlijk gezegd weinig vertrouwen van kreeg. Henk vond dat ik de kranten napraatte.

“Je moet eens zelf luisteren in plaats van alles door die Hilversumse bril te bekijken,” zei hij.

Dat was nog niet eens waar ik het meest van schrok. Het was dat ze hun twee kinderen, Bas en Lotte, vrijwel niets wilden nalaten.

“Ze zijn veertig en tweeënveertig,” zei Marjan. “Gezond, opgeleid, allebei een baan. Waarom zouden wij geld oppotten omdat dat nou eenmaal zo hoort?”

Els vroeg heel rustig of Bas en Lotte dat wisten.

Marjan nam een slok wijn. “Ze weten dat we erover nadenken.”

Dat bleek later niet hetzelfde te betekenen.

Bas belde mij drie weken daarna. Hij had mijn nummer nog van toen ik hem ooit geholpen had met een lekkende dakgoot. Hij klonk ouder dan ik hem kende. Niet boos op een duidelijke manier. Meer alsof hij al dagen slecht sliep.

“Pap en mam doen alsof het alleen om geld gaat,” zei hij. “Maar ik voel me gewoon… afgeschreven. Alsof wij bewijs zijn dat ze iets fout hebben gedaan.”

Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Bas heeft twee kinderen, woont met zijn vrouw in een rijtjeshuis in Amersfoort en werkt in de zorg. Lotte is alleenstaand en huurt al jaren een appartement in Utrecht. Ik snap best dat volwassen kinderen geen recht hebben op het geld van hun ouders. Zo zijn Els en ik ook niet opgevoed. Maar helemaal niets? Terwijl Henk en Marjan zonder moeite konden zien dat Lotte iedere huurverhoging voelde en Bas zijn diensten ruilde om de opvang rond te krijgen?

Toch zei ik tegen Bas dat hij dit met zijn ouders moest bespreken. Dat voelde laf toen ik ophing, maar wat had ik anders moeten zeggen? Dat ik zijn vader en moeder onverantwoordelijk vond? Ik kende Henk langer dan de meeste van mijn familieleden.

De weken daarna werd de vrijdagavond stroever. Niet elke keer openlijk. Juist niet. We praatten eerst overdreven lang over de energierekening, de verbouwing bij Kees en Anja, de nieuwe heup van onze oud-teamgenoot. Maar vroeg of laat kwam het weer op Nederland Voor Morgen, op vrijheid, op kinderen die volgens Henk “met de hand opgehouden staan”.

Els zei op een avond dat hij niet zo over Bas en Lotte moest praten.

“Waarom niet? Omdat ze jouw vriendjes zijn?” vroeg Henk.

“Het zijn jouw kinderen,” zei Els.

Daarna viel er zo’n stilte waarin je ineens de koelkast hoort aanslaan.

In juni bestond onze groep veertig jaar. We hadden een zaaltje gehuurd bij een eetcafé aan de rand van het dorp. Geen chique gedoe, gewoon een buffet en een dj die muziek draaide uit onze studententijd. De bedoeling was dat iedereen iets zou zeggen. Een herinnering, een paar woorden. Henk had zelfs aangeboden om foto’s te verzamelen.

Pas twee dagen van tevoren stuurde Marjan in de groepsapp dat zij en Henk “graag van het moment gebruik wilden maken” om hun beslissing officieel bekend te maken. Ze zouden die avond een symbolische cheque overhandigen aan een bestuurslid van de beweging. En, schreef ze, het zou “heel veel voor ons betekenen” als wij als oude vrienden erbij wilden staan en een paar woorden van steun wilden zeggen.

Niemand reageerde bijna een uur.

Toen stuurde Kees alleen: “Dat is wel een groot verzoek voor een jubileumfeest.”

Marjan antwoordde met een duimpje omhoog. Ik denk nog steeds dat zij dat vriendelijk bedoelde. Bij mij kwam het aan als: niet zeuren.

Els zei thuis dat we niet moesten gaan liegen voor de goede sfeer. Ik zei dat we ook niet het feest hoefden te gebruiken om hen af te branden. Daar kregen we woorden over, wat zelden gebeurt. Zij vond dat ik weer bang was dat iemand mij lastig zou vinden. Daar had ze niet helemaal ongelijk in.

Op de avond zelf zag ik Bas en Lotte al bij binnenkomst. Ze waren er met hun partners, maar ze stonden dicht bij elkaar, niet tussen de rest. Lotte had rode vlekken in haar hals. Marjan omhelsde iedereen alsof het haar verjaardag was.

Na het hoofdgerecht tikte Henk met zijn vork tegen een glas. Hij hield een verhaal over verantwoordelijkheid, over de wereld die wij achterlaten, over moed om niet altijd de veilige keuze te maken. Sommige mensen klapten beleefd. De meesten keken naar hun servet of naar het plafond.

Toen riep hij ons naar voren. “Jullie kennen ons. Jullie weten waar we voor staan.”

Ik bleef zitten.

Els pakte onder tafel mijn hand vast. Niet om me tegen te houden, geloof ik. Eerder omdat ze wist dat ik trilde.

Henk keek me aan. “Pieter?”

Ik stond toch op. Dat is misschien het domme eraan: ik kon het niet verdragen om daar als enige te blijven zitten. Ik liep naar voren, maar ik ging niet naast de cheque staan. Ik bleef een stukje van Henk vandaan.

Ik zei dat ik al veertig jaar wist dat hij en Marjan hun eigen koers voeren. Dat ik respect had voor het feit dat ze niet gedachteloos leefden. Vervolgens zei ik dat ik niet kon doen alsof ik hun beslissing toejuichte, omdat ik Bas en Lotte kende en omdat ik zag wat het met hen deed.

“Je hoeft je kinderen niet rijk te maken,” zei ik. “Maar je kunt ook niet zeggen dat familie belangrijk is en vervolgens verwachten dat iedereen begrijpt dat zij buiten deze keuze staan.”

Ik had het netter kunnen zeggen. Of harder. Henk werd rood en zei dat ik zijn vrijheid verwarde met toestemming vragen. Marjan begon te huilen, heel stil, wat ik erger vond dan wanneer ze had geschreeuwd.

Bas liep naar buiten. Lotte achter hem aan.

De cheque is die avond niet overhandigd. Het bestuurslid van de beweging stond al bij de bar en vertrok na tien minuten met een gezicht alsof hij per ongeluk op een verkeerde bruiloft was beland.

Sindsdien is De Vrijdagclub niet opgeheven. Dat zou bijna makkelijker zijn. Er wordt nog steeds een bericht gestuurd op donderdag: “Bij wie morgen?” Maar Henk en Marjan zeggen vaak af. Kees en Anja zijn een keer zonder uitleg naar hun caravan gegaan. En vorige week zaten Els en ik met drie anderen aan tafel en hadden we het een heel uur lang over de moestuin van Anja.

Niemand noemde Henks naam.

Toen ik naar huis fietste, zei Els dat het misschien nooit meer wordt zoals vroeger. Ik zei dat het vroeger ook niet zo harmonieus was als we onszelf altijd hadden wijsgemaakt.

De volgende vrijdag zijn wij aan de beurt. Ik heb al wijn gehaald, en Els heeft te veel hapjes gekocht zoals altijd. In de groepsapp staat nog geen enkele reactie.