Laatste zonnestraal: Hoe ik afscheid moest nemen van mijn dochtertje en hoop vond in het donker
‘Nee, mam, ik wil niet slapen!’ Lotte’s stemmetje klinkt schor, haar handje klam in de mijne. De monitor naast haar bed piept onregelmatig. Ik slik, probeer mijn tranen te verbergen. ‘Lieverd, mama is hier. Ik laat je niet alleen.’
De kamer ruikt naar ontsmettingsmiddel en angst. Buiten regent het zachtjes tegen het raam van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Mijn man, Jeroen, zit roerloos in de hoek, zijn gezicht verstopt in zijn handen. Mijn moeder, Ans, probeert dapper te zijn, maar haar schouders schokken.
‘Waarom gebeurt dit ons?’ hoor ik mezelf denken. Gisteren nog rende Lotte door de woonkamer, haar blonde krullen dansend in het licht. Nu ligt ze hier, haar lichaampje uitgeput door een bacteriële hersenvliesontsteking die zo snel toesloeg dat we nauwelijks konden beseffen wat er gebeurde.
‘Mevrouw Van Dijk?’ De arts komt binnen, zijn blik ernstig. ‘Mag ik even met u praten?’
Ik knik, mijn hart bonkt in mijn keel. Jeroen staat op, maar ik gebaar dat hij moet blijven zitten. Ik volg de arts de gang op. De witte muren lijken op me af te komen.
‘Het spijt me zo verschrikkelijk,’ zegt hij zacht. ‘We hebben alles geprobeerd. Haar hersenen zijn ernstig beschadigd. Ze zal niet meer wakker worden.’
Mijn benen voelen als pudding. Ik leun tegen de muur, probeer te begrijpen wat hij zegt. ‘Dus… ze is…’
‘Ze leeft nog, maar… niet zoals u haar kent.’
Ik knik, voel hoe de grond onder me verdwijnt. ‘Mag ik… bij haar blijven?’
‘Natuurlijk.’
Terug in de kamer kijk ik naar Jeroen. Zijn ogen zijn rood. ‘Wat zei hij?’ vraagt hij schor.
Ik kan alleen maar mijn hoofd schudden. ‘Ze komt niet meer terug.’
Er valt een stilte die alles zegt. Mijn moeder begint te huilen. Jeroen slaat zijn armen om mij heen en samen wiegen we heen en weer, als schipbreukelingen op een woeste zee.
Later die avond komt de coördinator orgaandonatie langs. Ze heet Marieke en spreekt met een zachte stem. ‘Ik weet dat dit een onmogelijke vraag is,’ zegt ze, ‘maar wilt u nadenken over orgaandonatie? Lotte zou andere kinderen kunnen redden.’
Jeroen kijkt me aan, zijn blik wanhopig. ‘Ik weet het niet, Sanne…’
Ik voel woede opborrelen. ‘Waarom moeten wij dit beslissen? Is het niet genoeg dat we haar verliezen?’
Mijn moeder pakt mijn hand. ‘Misschien… misschien is het een manier om iets goeds te doen met haar leven.’
Die nacht slaap ik niet. Ik staar naar het plafond van de ouderkamer, hoor het zachte gesnik van Jeroen naast me. In gedachten zie ik Lotte’s lach, haar kleine handjes die naar me reiken.
De volgende ochtend nemen we het besluit. ‘We willen dat haar organen worden gedoneerd,’ zeg ik tegen Marieke, mijn stem breekt.
De uren daarna zijn een waas van tranen en afscheid nemen. We mogen bij Lotte blijven tot het einde. Ik zing haar favoriete liedje – ‘In de maneschijn’ – terwijl ik haar handje vasthoud.
‘Dag lief meisje,’ fluister ik als haar ademhaling langzaam stopt.
Na haar dood volgt er een storm aan emoties en conflicten binnen onze familie. Mijn schoonmoeder, Truus, begrijpt onze keuze niet. ‘Hoe kun je haar lichaam zo weggeven? Ze hoort heel te blijven!’ roept ze tijdens het familieberaad.
Jeroen barst uit: ‘Mam, hou op! Dit was onze beslissing! Lotte leeft voort in anderen!’
De weken daarna voel ik me leeg en verscheurd. De stilte thuis is ondraaglijk; Lotte’s kamertje blijft onaangeroerd. Soms ruik ik nog vaag haar geur als ik haar knuffelbeer vasthoud.
Op een dag ontvang ik een anonieme brief van de ouders van een jongetje dat Lotte’s hart heeft gekregen:
‘Uw dochter heeft ons kind gered. We weten niet hoe we u ooit kunnen bedanken.’
Ik huil voor het eerst sinds weken tranen van dankbaarheid én verdriet.
Langzaam vinden Jeroen en ik elkaar terug in onze rouw. We praten over Lotte, over hoe ze altijd lachte als ze eendjes zag in het park bij de Kralingse Plas. We bezoeken haar grafje samen met mijn moeder en planten vergeet-mij-nietjes.
Toch blijft er wrijving met Truus; zij verwijt ons nog steeds onze keuze. Op een dag barst ik uit:
‘Denk je dat dit makkelijk was? Denk je dat we niet elke nacht wakker liggen? Maar Lotte leeft voort – dat is alles wat we nog hebben!’
Truus huilt eindelijk mee; voor het eerst voelen we ons samen verdrietig in plaats van tegenover elkaar.
Het leven krijgt langzaam weer kleur, al blijft er altijd een leegte. Op Lotte’s verjaardag laten we ballonnen op bij haar grafje; Jeroen leest een gedicht voor en mijn moeder zingt zachtjes mee.
Soms vraag ik me af: had ik anders moeten beslissen? Maar dan denk ik aan het jongetje met Lotte’s hart en voel ik een sprankje hoop.
Zou jij hetzelfde hebben gedaan? Hoe vind je troost als je alles bent verloren?