Als liefde pijn doet: Het verhaal van een vrouw uit Utrecht

‘Hoe lang al, Daan?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer hem niet te laten breken. De stilte in onze woonkamer in Utrecht is ondraaglijk, alleen het zachte tikken van de regen tegen het raam vult de ruimte. Daan kijkt naar zijn handen, zijn trouwring glinstert in het schemerlicht. ‘Marloes… het spijt me. Ik weet niet hoe dit is gebeurd.’

Ik voel mijn hart bonzen in mijn keel. Gisterenavond vond ik de berichten op zijn telefoon. Berichten vol hartjes, grapjes, heimelijke afspraken. Niet voor mij bedoeld, maar voor haar – Sophie, een collega van zijn werk. De woorden branden nog steeds op mijn netvlies: “Ik mis je nu al.”

‘Je weet niet hoe dit is gebeurd?’ Mijn stem klinkt scherper dan ik bedoel. ‘Je hebt haar niet per ongeluk geappt, Daan. Je hebt ervoor gekozen.’

Hij knikt, zijn ogen rood van het huilen. ‘Het was nooit mijn bedoeling om jou pijn te doen.’

Ik lach schamper. ‘Maar je hebt het wel gedaan.’

De afgelopen weken waren er kleine signalen geweest: hij kwam later thuis, was afwezig aan tafel, lachte minder om de grapjes van onze dochter Lotte. Maar ik wilde het niet zien. Ik wilde geloven dat we gewoon een moeilijke periode hadden, zoals zoveel stellen.

Mijn gedachten dwalen af naar onze eerste ontmoeting, op een terras aan de Oudegracht. Hij bestelde een cappuccino voor mij zonder dat ik iets hoefde te zeggen. We lachten om dezelfde flauwe grappen en deelden dromen over reizen naar Italië en een huisje aan zee. Nu voelt dat alles als een verre herinnering, bijna alsof het iemand anders’ leven was.

‘Wat nu?’ vraag ik zachtjes. Mijn handen trillen als ik ze in elkaar vouw.

Daan haalt diep adem. ‘Ik wil vechten voor ons, Marloes. Voor jou, voor Lotte.’

‘En Sophie?’ Mijn stem breekt bij haar naam.

Hij kijkt weg. ‘Het is voorbij met haar. Echt.’

Die nacht slaap ik nauwelijks. Ik hoor Daan beneden in de woonkamer ijsberen. Lotte slaapt gelukkig door alles heen; haar knuffelbeer stevig tegen zich aangedrukt. Ik vraag me af of ik ooit nog onbezorgd kan slapen.

De volgende ochtend is alles anders. Daan probeert zich normaal te gedragen – hij maakt ontbijt, smeert Lotte’s boterhammen met hagelslag – maar ik voel de spanning tussen ons als een koude muur.

Mijn moeder belt. ‘Gaat het wel goed met je, lieverd? Je klinkt zo anders.’

Ik wil niet huilen aan de telefoon, maar het lukt me niet om mijn tranen te bedwingen. ‘Mam… Daan heeft iemand anders.’

Ze zucht diep. ‘Och meisje toch… Kom vanavond maar bij ons eten. Je hoeft hier niet alleen doorheen.’

Bij mijn ouders thuis in Amersfoort voelt alles vertrouwd: de geur van verse koffie, het zachte geknetter van de open haard. Mijn vader zegt weinig, maar legt een hand op mijn schouder als ik binnenkom.

‘Je hoeft niet meteen een beslissing te nemen,’ zegt mijn moeder terwijl ze soep inschenkt. ‘Maar je moet wel aan jezelf denken.’

Die avond lig ik in mijn oude slaapkamer en staar naar het plafond. Mijn hoofd maalt: Kan ik hem ooit nog vertrouwen? Wat als hij weer liegt? Wat betekent dit voor Lotte?

De dagen daarna zijn zwaar. Op mijn werk bij de bibliotheek kan ik me nauwelijks concentreren. Mijn collega’s merken dat er iets mis is, maar niemand durft iets te vragen.

Thuis probeer ik sterk te zijn voor Lotte. Ze merkt dat er iets speelt en vraagt: ‘Mama, waarom huilt papa zo vaak?’

Ik slik mijn tranen weg en trek haar dicht tegen me aan. ‘Papa en mama hebben een beetje ruzie, schatje. Maar we houden allebei heel veel van jou.’

Op een avond zit ik met Daan aan tafel. De stilte is verstikkend.

‘Wil je dat ik wegga?’ vraagt hij uiteindelijk.

Ik weet het niet. Alles in mij schreeuwt dat ik hem weg wil hebben, maar tegelijkertijd ben ik bang voor wat er gebeurt als hij echt vertrekt.

‘Ik weet het niet,’ fluister ik eerlijk.

We besluiten samen naar relatietherapie te gaan. De eerste sessie is ongemakkelijk; we zitten naast elkaar op een bankje terwijl de therapeut ons aankijkt.

‘Wat hopen jullie te bereiken?’ vraagt ze.

Daan kijkt me aan. ‘Ik wil haar vertrouwen terugwinnen.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik wil begrijpen waarom dit is gebeurd… en of we hier samen uit kunnen komen.’

De sessies zijn zwaar en confronterend. Oude wonden komen naar boven: de miskraam van twee jaar geleden waar we nooit echt over hebben gepraat, de stress op Daan’s werk, mijn onzekerheid over mezelf sinds ik moeder ben geworden.

Soms lijkt het alsof we dichter bij elkaar komen; soms voelt het alsof we verder uit elkaar drijven dan ooit.

Op een avond na therapie lopen we samen langs de grachten van Utrecht. Het regent zachtjes en Daan pakt voorzichtig mijn hand vast.

‘Weet je nog die eerste keer dat we hier liepen?’ vraagt hij zacht.

Ik knik, tranen rollen over mijn wangen.

‘Ik wil terug naar toen,’ fluistert hij.

‘Dat kan niet,’ zeg ik eerlijk. ‘We kunnen alleen vooruit.’

De maanden verstrijken en langzaam verandert er iets tussen ons. Het vertrouwen komt niet vanzelf terug; elke dag is een gevecht tussen hoop en wanhoop.

Soms betrap ik mezelf erop dat ik weer even gelukkig ben – als Lotte giechelt tijdens het eten of als Daan me onverwacht een kop thee brengt terwijl ik lees.

Maar er zijn ook dagen dat de pijn alles overheerst; dat ik mezelf afvraag of ik ooit weer echt kan lachen zonder dat er een schaduw overheen hangt.

Op een avond zit ik alleen op het balkon, kijkend naar de lichtjes van de stad die weerspiegelen in het water van de gracht.

‘Ben ik sterker geworden door deze pijn?’ vraag ik mezelf af. ‘Of ben ik gewoon beter geworden in doen alsof?’

Misschien is dat wel de echte vraag: Hoe weet je wanneer je moet vechten voor liefde… en wanneer je moet loslaten?

Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond? Is vergeven altijd mogelijk – of soms gewoon te veel gevraagd?