De vrouw die niet bestond: Mijn leven in de schaduw van andermans blikken

‘Vera, waar zijn mijn sleutels nou weer?’ Bastiaans stem galmt door de gang, scherp als altijd. Ik sta in de keuken, mijn handen trillend boven het aanrecht. De geur van aangebrande koffie vult de ruimte. ‘Ze liggen op het kastje, naast je portemonnee,’ antwoord ik zacht, maar hij hoort me niet. Of wil me niet horen.

Mijn zoon Joris stormt de trap af, zijn rugzak half open, gymspullen bungelend aan een touwtje. ‘Mam, heb je mijn broodtrommel gezien?’ vraagt hij zonder me aan te kijken. Ik wijs naar de tafel, maar hij grijpt hem zonder dankjewel en verdwijnt naar buiten. De voordeur slaat dicht. Even is het stil.

Ik kijk naar mijn handen. De rimpels lijken dieper dan gisteren. Mijn trouwring knelt om mijn vinger, alsof hij me eraan wil herinneren dat ik ooit gekozen heb voor dit leven. Maar wanneer ben ik gestopt met bestaan? Was het toen Joris werd geboren en alles om hem draaide? Of toen Bastiaan zijn promotie kreeg en steeds later thuiskwam?

‘Vera, ik ga!’ Bastiaan steekt zijn hoofd om de deur. Zijn blik glijdt langs me heen, alsof ik een meubelstuk ben dat toevallig in de weg staat. ‘Vergeet niet de boodschappen te doen. En bel de loodgieter nog even.’

De deur valt dicht. Ik blijf achter in het huis dat ooit van mij leek te zijn, maar nu voelt als een decor waar ik slechts figurant ben.

De dag sleept zich voort. Ik loop door de supermarkt, mijn boodschappenlijstje in de hand. Niemand kijkt me aan. Een jonge caissière zegt mechanisch ‘fijne dag’, haar ogen al gericht op de volgende klant. Op straat botsen mensen tegen me op zonder zich te verontschuldigen. Ik besta niet.

Thuis zet ik de boodschappen weg en staar uit het raam naar de regen die over de stoep stroomt. Mijn telefoon trilt. Een appje van mijn zus, Marloes: ‘Mam jarig zondag. Jij taart?’ Geen vraagteken, geen groet. Gewoon een opdracht.

’s Avonds aan tafel is het niet anders. Joris eet snel, Bastiaan scrollt op zijn telefoon. ‘Hoe was jullie dag?’ probeer ik voorzichtig.

‘Prima,’ zegt Joris zonder op te kijken.

‘Druk,’ mompelt Bastiaan.

Ik slik mijn woorden in en kauw op koude aardappelen.

Na het eten ruim ik alleen af. In de woonkamer klinkt het geluid van een voetbalwedstrijd op tv. Ik hoor Joris lachen om iets op zijn telefoon. Mijn stem zou hier net zo goed niet kunnen bestaan.

Die nacht lig ik wakker. De regen tikt tegen het raam. In het donker fluister ik: ‘Bestaat iemand nog als niemand haar ziet?’

De volgende ochtend loop ik naar de bakker. Op de hoek zie ik mevrouw De Vries, onze oude buurvrouw, worstelend met haar boodschappentas. Haar grijze haar is nat van de motregen.

‘Zal ik u helpen?’ vraag ik voorzichtig.

Ze kijkt op, haar ogen waterig maar vriendelijk. ‘Och Vera, wat lief van je.’

Samen lopen we naar haar huisje verderop in de straat. Binnen ruikt het naar jasmijnthee en oude boeken.

‘Blijf je even zitten?’ vraagt ze terwijl ze twee kopjes thee inschenkt.

Ik knik en laat me zakken in een versleten fauteuil.

‘Je ziet er moe uit, meisje,’ zegt ze zacht.

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Soms heb ik het gevoel dat niemand me ziet,’ fluister ik.

Ze legt haar hand op de mijne. ‘Dat gevoel ken ik maar al te goed.’

We praten urenlang. Over haar overleden man, over haar kinderen die nooit meer langskomen, over hoe het voelt om vergeten te worden.

‘Weet je wat het ergste is?’ zegt ze op een gegeven moment. ‘Dat je jezelf ook vergeet.’

Die woorden blijven hangen als ik naar huis loop.

Vanaf die dag bezoek ik mevrouw De Vries vaker. We drinken thee, praten over vroeger en soms zwijgen we gewoon samen. Voor het eerst in jaren voel ik me gezien.

Maar thuis verandert er niets. Bastiaan merkt niet dat ik later thuiskom. Joris vraagt niet waar ik ben geweest.

Op een avond barst het los tijdens het eten.

‘Mam, waarom ben je zo vaak weg?’ vraagt Joris plotseling met een frons.

Bastiaan kijkt op van zijn telefoon. ‘Ja, inderdaad Vera, waar ben je eigenlijk steeds?’

Mijn hart bonkt in mijn borstkas. ‘Ik ben bij mevrouw De Vries geweest,’ zeg ik zacht.

‘Die oude zeur?’ Bastiaan rolt met zijn ogen.

‘Ze is eenzaam,’ zeg ik felder dan bedoeld.

‘En wij dan?’ Joris smijt zijn vork neer. ‘Je bent nooit thuis als ik je nodig heb!’

Woede welt in me op, vermengd met verdriet. ‘Jullie hebben me nooit nodig gehad! Jullie zien me niet eens staan!’

Het blijft stil aan tafel. Bastiaan kijkt weg, Joris staart naar zijn bord.

Die nacht slaap ik op de bank. Mijn hoofd bonkt van de gedachten.

De dagen daarna is het huis ijzig stil. Bastiaan praat nauwelijks tegen me, Joris mijdt me zoveel mogelijk.

Alleen bij mevrouw De Vries voel ik me nog mens.

Op een middag zit ik bij haar aan tafel als ze plotseling haar hand op mijn arm legt.

‘Vera, je moet voor jezelf kiezen,’ zegt ze zacht.

‘Maar hoe dan?’ vraag ik wanhopig.

Ze glimlacht flauwtjes. ‘Door te doen wat jou gelukkig maakt, niet wat anderen van je verwachten.’

’s Avonds schrijf ik een brief aan Bastiaan en Joris:

Lieve Bastiaan en Joris,
Ik hou van jullie, maar ik kan niet langer leven als een schim in mijn eigen huis. Ik ga een tijdje bij mevrouw De Vries logeren om na te denken over wat ik wil met mijn leven.
Liefs,
Vera

Ik laat de brief op tafel achter en pak een tas met wat kleren.

Bij mevrouw De Vries voel ik voor het eerst sinds jaren rust in mijn hoofd. We praten tot diep in de nacht over dromen die we hadden en verloren zijn.

Na een week belt Bastiaan eindelijk op.
‘Wanneer kom je terug?’ klinkt zijn stem kil door de telefoon.
‘Als jullie bereid zijn mij echt te zien,’ antwoord ik rustig.
Er volgt een lange stilte voordat hij ophangt.

Joris stuurt een appje: ‘Sorry mam.’
Mijn hart breekt en heelt tegelijk.

Langzaam begin ik mezelf terug te vinden – in kleine dingen: een wandeling door het park, schilderen met mevrouw De Vries, lachen om oude herinneringen.
Na twee weken kom ik thuis voor een gesprek met Bastiaan en Joris.
Ze luisteren eindelijk naar me – echt luisteren – en voor het eerst in jaren voel ik dat mijn stem ertoe doet.

Soms vraag ik me nog steeds af: hoeveel mensen lopen er rond zoals ik – onzichtbaar in hun eigen leven? En wat zou er gebeuren als we allemaal besluiten om eindelijk weer gezien te willen worden?