Ongewenste erfenis: Hoe ik moeder werd van de kinderen van mijn broer en wat dat met mijn familie deed

‘Je moet nú komen, Eva. Het gaat niet goed met de kinderen.’ De stem van mijn moeder trilde aan de andere kant van de lijn. Het was 02:17 uur en ik lag net een uur in bed, uitgeput na weer een lange dag op kantoor. Mijn hart sloeg over. ‘Wat bedoel je? Waar zijn ze?’ vroeg ik, terwijl ik al uit bed sprong en mijn spijkerbroek van de stoel griste.

‘Bij ons. De politie heeft ze gebracht. Je broer… hij…’ Haar stem brak. Ik hoorde haar snikken. ‘Hij is opgepakt. Ze zeggen dat hij drugs gebruikte, Eva. En Maaike is nergens te bekennen.’

Maaike, mijn schoonzus, was altijd al een schim in het leven van haar kinderen geweest. Maar nu was ze echt verdwenen. Ik voelde een koude rilling over mijn rug glijden terwijl ik mijn jas aantrok en de trap af stormde. Mijn man, Bas, keek me slaperig aan vanuit de deuropening van onze slaapkamer. ‘Wat is er aan de hand?’

‘De kinderen van Mark zijn bij mijn ouders. Ik moet gaan.’

‘Wil je dat ik meega?’ vroeg hij zacht.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Blijf maar bij Lotte. Ze slaapt eindelijk.’ Onze dochter van zes had net een week griep achter de rug en ik wilde haar niet wakker maken.

De autorit naar het huis van mijn ouders in Amersfoort voelde als een eeuwigheid. Mijn gedachten tolden. Mark, mijn grote broer, was altijd de rebel geweest, maar dit… Dit had ik nooit verwacht. Ik parkeerde slordig op de oprit en rende naar binnen.

In de woonkamer zaten mijn ouders op de bank, hun gezichten grauw en getekend door zorgen. Tussen hen in zaten Daan en Sophie, zeven en vier jaar oud, met grote ogen en rode wangen. Sophie hield haar knuffelbeer zo stevig vast dat haar knokkels wit waren.

‘Mama?’ fluisterde ze toen ze me zag. Mijn hart brak in duizend stukjes.

‘Nee lieverd, ik ben tante Eva,’ zei ik zacht, terwijl ik naast haar ging zitten en haar voorzichtig in mijn armen sloot.

Daan keek me aan met een blik die ik nooit zal vergeten: wantrouwen, verdriet, woede. ‘Waar is papa?’ vroeg hij.

Mijn moeder veegde haar tranen weg en probeerde haar stem te vinden. ‘Papa is even weg, jongen.’

‘Hij komt toch wel terug?’

Niemand antwoordde.

Die nacht sliep ik op de bank, met Sophie tegen me aan gedrukt en Daan die zich uiteindelijk ook bij ons voegde. Mijn ouders fluisterden in de keuken; ik hoorde flarden van hun gesprek: ‘Je kunt het niet alleen… Ze heeft haar eigen gezin…’

Maar wie dan wel? Wie zou deze kinderen opvangen als wij het niet deden?

De dagen daarna waren een waas van telefoontjes met Jeugdzorg, gesprekken met advocaten en eindeloze koppen koffie aan de keukentafel. Bas kwam elke avond langs met Lotte, die verlegen naar haar neefje en nichtje keek.

‘Hoe lang blijven ze hier?’ vroeg Lotte op een avond toen ik haar instopte.

‘Dat weet ik niet, liefje,’ zei ik eerlijk. ‘Tot papa en mama weer beter zijn.’ Maar diep vanbinnen wist ik dat het langer zou duren dan we hoopten.

Mark belde vanuit de gevangenis. Zijn stem klonk gebroken. ‘Eva… zorg alsjeblieft voor ze. Ik weet niet wat er met mij gebeurt.’

‘Waarom heb je dit gedaan?’ vroeg ik boos.

Hij zweeg even. ‘Ik was moe, Eva. Alles werd te veel.’

Ik voelde woede opborrelen, maar ook medelijden. Mark was altijd degene geweest die alles voor mij oploste toen we klein waren. Nu moest ik zijn puinhoop opruimen.

De weken werden maanden. Daan kreeg driftbuien op school; Sophie plaste weer in bed. Mijn ouders werden ouder met de dag en Bas en ik kregen steeds vaker ruzie over alles wat er moest gebeuren.

‘Dit kan zo niet langer,’ zei Bas op een avond terwijl hij zijn jas aantrok om naar zijn werk te gaan. ‘We hebben ook nog een eigen gezin, Eva.’

‘Wat wil je dan dat ik doe? Ze terugsturen naar Jeugdzorg?’ snauwde ik.

Hij zuchtte diep. ‘Nee… maar misschien moeten we hulp vragen.’

Ik voelde me schuldig tegenover iedereen: tegenover Bas, tegenover Lotte, tegenover Daan en Sophie – zelfs tegenover Mark, die elke week wanhopige brieven stuurde waarin hij beloofde te veranderen.

Op een dag stond Maaike ineens voor de deur. Haar ogen waren hol, haar wangen ingevallen.

‘Ik wil mijn kinderen zien,’ zei ze zonder omhaal.

Ik liet haar binnen, maar hield Sophie dicht bij me. Maaike knielde neer bij Daan en streelde zijn haar.

‘Mama is ziek geweest,’ fluisterde ze.

Daan keek haar aan met diezelfde wantrouwende blik als toen hij bij ons kwam wonen. ‘Kom je nu weer weggaan?’

Maaike begon te huilen. ‘Nee… Ik wil beter worden voor jullie.’

Na dat bezoek was niets meer hetzelfde. Daan werd stiller; Sophie klampte zich nog meer aan mij vast. De onzekerheid vrat aan ons allemaal.

Op een avond zat ik alleen in de tuin, starend naar het onkruid dat tussen de tegels omhoog kwam – het ongewenste tuinwerk dat altijd bleef liggen sinds de kinderen er waren.

Mijn moeder kwam naast me zitten en legde haar hand op mijn knie.

‘Je doet wat je kunt, Eva,’ zei ze zacht.

‘Maar is het genoeg?’ vroeg ik fluisterend.

Ze zweeg even en keek naar de sterren boven ons huis in Amersfoort. ‘Soms is liefde het enige wat we hebben.’

De maanden sleepten zich voort; Mark kwam vrij maar mocht zijn kinderen niet zien zonder toezicht. Maaike verdween weer uit beeld na een paar weken – niemand wist waarheen.

Langzaam groeiden we naar elkaar toe als gezin – Bas, Lotte, Daan, Sophie en ik – maar het bleef wringen. Op school vroegen andere ouders waarom Daan altijd zo boos was; Lotte vroeg waarom zij haar kamer moest delen; Bas trok zich steeds vaker terug in zijn werk.

Op een dag barstte alles los tijdens het avondeten.

‘Waarom moeten zij hier wonen? Het zijn niet eens mijn echte broer en zus!’ riep Lotte huilend uit.

Sophie begon te snikken; Daan gooide zijn bord op de grond.

Ik stond op het punt om te schreeuwen maar slikte het in. In plaats daarvan knielde ik neer tussen hen in en trok ze alle drie tegen me aan.

‘We zijn allemaal familie,’ fluisterde ik door mijn tranen heen. ‘Misschien niet zoals het hoort… maar we horen bij elkaar.’

Die nacht lag ik wakker naast Bas, luisterend naar het zachte ademhalen van drie kinderen in hun kamers – elk met hun eigen verdriet, hun eigen dromen en angsten.

Soms vraag ik me af of liefde genoeg is om alles te lijmen wat kapot is gegaan in onze familie. Of we ooit echt weer heel zullen zijn – of dat we gewoon leren leven met de barsten die zijn achtergebleven.