Tussen Twee Moeders: Een Hart Gescheurd Tussen Plicht en Liefde
‘Waarom luister je nooit naar mij, Eva?’ De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik de deur van onze kleine flat in Utrecht achter me dichttrek. Mijn handen trillen. Bas zit aan de keukentafel, zijn blik strak op zijn telefoon gericht. ‘Is het weer begonnen?’ vraagt hij zonder op te kijken. Ik knik, maar mijn stem blijft steken in mijn keel.
Het is alsof ik gevangen zit tussen twee vuren. Mijn moeder, altijd aanwezig, altijd met haar mening klaar. En dan is er Bas’ moeder, Truus, die vindt dat ik alles verkeerd doe met de baby. ‘Je moet hem niet zo vaak oppakken, straks wordt hij verwend,’ zegt ze telkens als ze op bezoek komt. Mijn eigen moeder vindt juist dat ik te afstandelijk ben. ‘Je moet meer met hem knuffelen, Eva. Hij voelt zich anders niet veilig.’
Sinds de geboorte van onze zoon, Daan, zes maanden geleden, is mijn leven veranderd in een aaneenschakeling van adviezen, verwijten en ongevraagde hulp. Ik voel me verscheurd. Bas en ik waren ooit gelukkig. We fietsten samen door de stad, dronken koffie op het terras bij de Neude, droomden over een huisje aan de Vecht. Maar nu? Nu zijn we vreemden in ons eigen huis.
‘We moeten praten,’ zegt Bas plotseling. Zijn stem klinkt moe. ‘Over geld. Over… alles eigenlijk.’
Ik ga tegenover hem zitten en kijk naar zijn handen, die rusteloos over het tafelblad bewegen. ‘Ik weet het niet meer, Bas,’ fluister ik. ‘Iedereen wil iets van me. Ik doe alles fout.’
Hij zucht diep. ‘Het is ook niet makkelijk voor mij, Eva. Mijn moeder belt elke dag om te vragen of jij het wel goed doet. En dan je moeder die zich overal mee bemoeit…’
De baby begint te huilen in de slaapkamer. Mijn hart slaat over. Ik wil rennen, troosten, maar Bas legt zijn hand op mijn arm. ‘Laat hem even. Hij moet leren zichzelf te kalmeren.’
Ik trek mijn arm los en loop naar Daan toe. Zijn gezichtje is nat van de tranen. Terwijl ik hem oppak, voel ik de schuldgevoelens als een zware deken over me heen vallen. Doe ik het goed? Ben ik een slechte moeder? Of ben ik gewoon niet sterk genoeg?
De dagen rijgen zich aaneen in een waas van slapeloze nachten, ruzies over geld – want Bas’ contract bij de gemeente is niet verlengd – en familiebezoeken die altijd eindigen in tranen of stilte. Mijn moeder komt elke woensdag langs met tassen vol boodschappen en kritiek. Truus komt op zondag en kijkt met samengeknepen ogen naar hoe ik Daan voed.
Op een avond barst ik uit elkaar. Mijn moeder staat in de keuken en snijdt wortels voor de soep.
‘Mam, kun je alsjeblieft ophouden met zeggen wat ik moet doen?’ Mijn stem trilt van woede en verdriet.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Ik wil je alleen maar helpen, Eva.’
‘Maar ik voel me zo klein bij jou! Alsof ik niks goed kan doen!’
Ze zwijgt even en draait zich dan om. ‘Toen jij geboren werd, was ik ook onzeker. Maar niemand hielp mij. Ik wil niet dat jij dezelfde fouten maakt als ik.’
Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Misschien moet je me gewoon laten proberen, mam.’
Die nacht lig ik wakker naast Bas, die zachtjes snurkt. Ik denk aan vroeger: hoe mijn moeder altijd alles alleen deed nadat papa wegging; hoe ze haar verdriet verborg achter harde woorden en praktische adviezen.
De volgende dag belt Truus onverwacht aan.
‘Ik heb een nieuwe speen voor Daan meegenomen,’ zegt ze zonder groet.
‘Dank je,’ zeg ik, maar mijn stem klinkt kil.
Ze kijkt me aan, haar ogen zacht ineens. ‘Het is moeilijk hè, moeder zijn?’
Ik knik en voel iets breken in mezelf.
‘Toen Bas klein was, was ik ook vaak bang dat ik het niet goed deed,’ zegt ze zachtjes.
Voor het eerst zie ik haar niet als een criticus, maar als een vrouw die ook ooit onzeker was.
Die avond praat ik met Bas.
‘Misschien moeten we hulp zoeken,’ zeg ik voorzichtig.
Hij knikt langzaam. ‘Ik wil niet dat we elkaar kwijtraken.’
We maken een afspraak bij een relatietherapeut in de wijk Overvecht. De eerste sessie is ongemakkelijk; we zitten naast elkaar op een bankje terwijl de therapeut ons aankijkt.
‘Wat willen jullie bereiken?’ vraagt ze.
Bas kijkt naar mij. ‘We willen weer gelukkig zijn.’
Ik slik en fluister: ‘Ik wil mezelf terugvinden.’
Langzaam beginnen we te praten over onze angsten: Bas over zijn baanverlies en het gevoel tekort te schieten als vader; ik over het gevoel dat iedereen aan me trekt en niemand echt luistert naar wat ík wil.
Thuis probeer ik kleine dingen te veranderen. Ik zeg tegen mijn moeder dat ze welkom is, maar dat ik haar adviezen alleen wil horen als ik erom vraag. Truus nodig ik uit om samen met mij Daan in bad te doen – niet omdat het moet, maar omdat het mag.
Het is niet makkelijk. Er zijn dagen dat alles weer misgaat: Bas die zich terugtrekt achter zijn laptop; mijn moeder die toch weer ongevraagd de was doet; Truus die zucht als Daan huilt.
Maar er zijn ook momenten van licht: Daan die voor het eerst lacht naar mij; Bas die me vasthoudt als ik huil; mijn moeder die zegt: ‘Je doet het goed, meisje.’
Op een regenachtige middag zit ik alleen op de bank terwijl Daan slaapt. Ik kijk naar buiten, naar de natte straten van Utrecht waar mensen gehaast hun boodschappen doen.
Wie ben ik geworden? Ben ik alleen maar dochter, schoondochter, moeder? Of mag ik ook gewoon Eva zijn?
Misschien is dat wel de grootste uitdaging: jezelf niet verliezen in de stemmen van anderen.
Hebben jullie dat ook wel eens gevoeld? Dat je zo hard probeert iedereen tevreden te stellen dat je vergeet wie je zelf bent? Hoe vinden jullie je eigen stem terug?