Onder Valse Voorwendselen: Het Geheim van de Supermarkt

‘Mam, hij zegt dat ik geld uit de kassa heb gepakt! Wat moet ik doen?’

Mijn vingers trilden terwijl ik het appje las. De geur van versgebakken brood en goedkope koffie in de supermarktgang was ineens misselijkmakend. Ik had me voorgenomen om vandaag onopvallend te blijven, gewoon wat boodschappen te doen en ondertussen aantekeningen te maken voor mijn klacht over de slechte service. Maar nu stond alles op zijn kop.

‘Sanne, luister goed,’ typte ik terug. ‘Blijf rustig. Ga naar het magazijn en wacht daar op mij. Ik ben er over vijf minuten.’

Ik voelde de ogen van de caissière op me gericht terwijl ik met mijn boodschappentas richting het magazijn liep. Mijn hart bonsde in mijn keel. Sanne werkte hier pas drie weken, haar eerste bijbaan naast haar studie aan de Hogeschool Utrecht. Ze was altijd zo eerlijk geweest, zo’n kind dat haar zakgeld spaarde en nooit een snoepje stal uit de snoeppot.

Toen ik de deur naar het magazijn openduwde, hoorde ik stemmen. ‘Je hoeft niet te huilen, Sanne. Als je het gewoon toegeeft, kunnen we het intern oplossen,’ zei een zware mannenstem. Het was meneer Van Dijk, de filiaalmanager, berucht om zijn norse houding en achterdocht.

‘Ik heb niks gedaan!’ snikte Sanne. Haar stem brak mijn hart.

‘Mevrouw Van der Meer!’ riep Van Dijk toen hij mij zag. ‘Dit is niet de plek voor klanten.’

‘Ik ben hier als moeder, niet als klant,’ zei ik scherp. ‘Wat is hier aan de hand?’

Hij keek me aan met die kille blik die ik zo goed kende van eerdere klachten. ‘Uw dochter is betrapt op het nemen van geld uit de kassa. We hebben het op camera.’

Sanne keek me smekend aan, haar ogen rood van het huilen. ‘Mam, ik zweer het, ik heb niks gedaan!’

Ik voelde woede opborrelen. ‘Laat mij die beelden zien dan,’ eiste ik.

Van Dijk aarzelde even, maar knikte toen. ‘Prima. Maar als u ziet wat ik zie, verwacht ik dat u haar zelf ontslaat.’

We liepen naar zijn kantoor. Sanne liep trillend naast me. In het kleine hokje rook het naar oud papier en goedkope aftershave. Van Dijk startte het filmpje. Op het scherm zag ik Sanne achter de kassa, druk bezig met klanten. Op een gegeven moment boog ze zich voorover en leek iets in haar zak te stoppen.

‘Zie je wel?’ zei Van Dijk triomfantelijk.

Maar ik kende mijn dochter beter dan wie dan ook. ‘Zoom eens in,’ zei ik.

Hij zuchtte, maar deed wat ik vroeg. Nu zag ik duidelijk dat Sanne een papiertje uit haar broekzak haalde – haar boodschappenlijstje.

‘Dit bewijst helemaal niets,’ zei ik fel.

Van Dijk kneep zijn lippen samen. ‘Er is geld verdwenen uit de kassa en zij was de enige die er zat.’

‘Misschien moet u eens kijken naar uw andere personeel,’ beet ik hem toe.

Sanne begon weer te huilen. ‘Mam, ze geloven me niet…’

Ik sloeg een arm om haar heen. ‘We gaan niet weg tot we weten wat er echt gebeurd is.’

Plotseling kwam er een jonge jongen binnenstormen – Bart, een collega van Sanne. Zijn gezicht was lijkbleek.

‘Meneer Van Dijk… Ik… Ik moet iets bekennen,’ stamelde hij.

Iedereen keek hem verbaasd aan.

‘Ik heb per ongeluk twintig euro uit de kassa gehaald toen ik wisselgeld pakte voor een klant die haast had. Ik dacht dat ik het later wel terug kon leggen, maar toen vergat ik het…’

Van Dijk draaide zich langzaam naar hem om, zijn gezicht rood aangelopen.

‘Dus jij was het?’ siste hij.

Bart knikte beschaamd.

Ik voelde opluchting en woede tegelijk. ‘En u wilde mijn dochter ontslaan zonder bewijs?’

Van Dijk keek me niet aan. ‘Het spijt me, Sanne,’ mompelde hij uiteindelijk.

Sanne barstte opnieuw in tranen uit – deze keer van opluchting.

Toen we buiten stonden, trok ze me stevig tegen zich aan. ‘Dank je, mam. Ik weet niet wat ik zonder jou had moeten doen.’

Ik slikte mijn tranen weg en keek haar aan. ‘Jij hoeft je nooit te verantwoorden voor iets wat je niet hebt gedaan.’

Thuis wachtte ons nog een ander probleem: mijn man Erik zat al uren op zijn telefoon te kijken en reageerde nauwelijks toen we binnenkwamen.

‘Hoe was het op werk?’ vroeg hij zonder op te kijken.

Sanne keek mij aan en zuchtte diep. ‘Het was… heftig.’

Erik keek eindelijk op en fronste zijn wenkbrauwen toen hij haar betraande gezicht zag.

‘Wat is er gebeurd?’

Ik vertelde hem alles – over Van Dijk, over Bart, over hoe snel mensen oordelen zonder bewijs. Erik luisterde zwijgend en knikte af en toe.

‘Misschien moet je daar niet meer werken,’ zei hij uiteindelijk tegen Sanne.

Sanne schudde haar hoofd. ‘Nee pap, als ik nu wegga geef ik ze gelijk. Ik wil laten zien dat ik sterk ben.’

Erik glimlachte flauwtjes. ‘Je bent sterker dan je denkt.’

Die avond lag ik wakker in bed, piekerend over alles wat er gebeurd was. Hoe snel mensen elkaar kunnen veroordelen, hoe dun het lijntje is tussen vertrouwen en wantrouwen – zelfs binnen een gezin of op een werkvloer.

De volgende dag kreeg Sanne een bos bloemen van Bart met een kaartje: ‘Sorry dat ik je in de problemen bracht.’ Ze glimlachte voor het eerst sinds dagen echt.

Toch bleef er iets knagen bij mij – waarom had Van Dijk zo snel naar Sanne gewezen? Was het omdat ze nieuw was? Omdat ze jong was? Of omdat ze vrouw was?

Op een dag besloot ik terug te gaan naar de supermarkt om Van Dijk hiermee te confronteren.

‘Waarom dacht u meteen dat Sanne schuldig was?’ vroeg ik hem recht in zijn gezicht.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ze is nieuw, onbekend terrein. En eerlijk gezegd… soms is het makkelijker om iemand zonder vaste aanstelling te verdenken dan iemand die hier al jaren werkt.’

Zijn woorden maakten me woedend én verdrietig tegelijk.

‘Weet u hoeveel schade u aanricht met zulke aannames?’ vroeg ik zachtjes.

Hij keek weg en mompelde iets onverstaanbaars.

Thuis vertelde ik Sanne wat hij had gezegd. Ze knikte begrijpend, maar haar ogen stonden vastberaden.

‘Ik laat me niet kleineren door iemand die me niet kent,’ zei ze zachtjes.

En daar was ik trots op – op haar kracht, haar eerlijkheid, haar vechtlust.

Maar diep vanbinnen bleef de vraag knagen: Hoe vaak worden mensen onterecht beschuldigd? En wat doet dat met hun vertrouwen in anderen – of in zichzelf?

Wat zou jij doen als jouw kind onterecht werd beschuldigd? Zou je vechten tot het einde – of zou je toegeven aan de druk van buitenaf?