‘Waarom moet ik altijd degene zijn die toegeeft?’ – Mijn verhaal over vaderschap, frustratie en onuitgesproken verwijten

‘Waarom moet ik altijd degene zijn die toegeeft?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer het niet te laten merken. Sanne kijkt me aan, haar ogen rood van het huilen. ‘Omdat jij degene bent die altijd wegloopt als het moeilijk wordt, Mark,’ zegt ze zacht, bijna fluisterend. Het is half twee ’s nachts en onze dochter Noor huilt alweer. De babyfoon kraakt in de stilte van ons rijtjeshuis in Amersfoort.

Zes maanden geleden werd ik vader. Ik dacht dat ik wist wat dat betekende: slapeloze nachten, luiers verschonen, minder tijd voor mezelf. Maar niemand had me voorbereid op de eenzaamheid die ik soms voel, op de afstand tussen Sanne en mij die met de dag groter lijkt te worden. Vroeger lachten we om alles. Nu lijkt elk gesprek te ontaarden in een verwijt.

‘Mark, kun jij haar pakken? Ik ben echt kapot,’ zegt Sanne terwijl ze haar hoofd in haar handen legt. Ik zucht, niet omdat ik het niet wil doen, maar omdat ik het gevoel heb dat ik altijd degene ben die moet inschikken. ‘Waarom moet ik altijd degene zijn die toegeeft?’ herhaal ik, zachter nu.

Sanne kijkt me aan, haar blik moe maar scherp. ‘Omdat jij overdag gewoon naar je werk gaat en ik hier zit opgesloten met Noor. Jij hebt tenminste nog collega’s om mee te praten.’

Ik voel me schuldig. Mijn werk als accountmanager bij een verzekeringsmaatschappij is inderdaad een uitvlucht geworden. De koffiepauzes met collega’s, de ritjes naar klanten – het zijn momenten waarop ik even niet hoef na te denken over thuis. Maar zodra ik thuiskom, voel ik de spanning weer in mijn schouders trekken.

De volgende ochtend zit ik aan de keukentafel met een kop lauwe koffie. Noor slaapt eindelijk. Sanne staart uit het raam, haar gezicht bleek in het ochtendlicht. ‘Weet je wat,’ zeg ik ineens, ‘misschien moeten we gewoon een week van rol wisselen. Jij gaat werken, ik blijf thuis met Noor.’

Sanne kijkt op, verrast. ‘Meen je dat?’

‘Ja,’ zeg ik vastberaden. ‘Misschien helpt het als we elkaars leven even meemaken.’

De dagen daarna regelen we alles: Sanne belt haar werk, waar ze nog ouderschapsverlof heeft openstaan; mijn baas stemt in met een week thuiswerken. Op maandagochtend zwaai ik Sanne uit terwijl ze op haar fiets stapt, haar tas over haar schouder.

Noor kijkt me met grote ogen aan vanuit haar wipstoeltje. Ik glimlach onzeker naar haar. ‘Nou meisje, daar gaan we dan.’

De eerste dag valt mee. Noor slaapt veel en als ze wakker is, lacht ze naar me. Ik maak foto’s en stuur ze naar Sanne. Maar naarmate de week vordert, verandert alles. Noor krijgt koorts en wil alleen nog maar bij mij zijn. Ze huilt uren achter elkaar en niets lijkt te helpen.

Op woensdagavond zit ik uitgeput op de bank als Sanne thuiskomt. ‘Hoe was het?’ vraagt ze voorzichtig.

Ik wil niet toegeven hoe zwaar het is geweest, maar mijn stem breekt als ik zeg: ‘Ik weet niet hoe je dit volhoudt.’

Sanne glimlacht flauwtjes en legt haar hand op mijn schouder. ‘Ik ook niet altijd.’

Die nacht lig ik wakker naast haar. Noor slaapt eindelijk, maar mijn hoofd maalt door. Ik denk aan de keren dat ik geïrriteerd reageerde als Sanne vroeg of ik wilde helpen. Aan de keren dat ik me terugtrok op zolder onder het mom van “even werken”.

Donderdagmiddag barst de bom. Noor blijft huilen en ik bel Sanne op haar werk.

‘Kun je alsjeblieft eerder thuiskomen? Ik trek het niet meer.’

Sanne zucht hoorbaar aan de andere kant van de lijn. ‘Mark, ik zit midden in een overleg…’

‘Het maakt me niet uit! Ik weet gewoon niet meer wat ik moet doen!’ Mijn stem klinkt wanhopiger dan bedoeld.

Als Sanne thuiskomt, is de spanning om te snijden. Ze pakt Noor van me over zonder iets te zeggen. Ik voel me falen – als vader, als partner.

Die avond zitten we zwijgend naast elkaar op de bank. Op tv speelt een herhaling van “Wie is de Mol?”, maar geen van ons kijkt echt.

‘Weet je nog,’ zegt Sanne ineens zacht, ‘hoe we vroeger droomden over een groot gezin?’

Ik knik. ‘Het leek toen allemaal zo makkelijk.’

‘Misschien waren we naïef,’ fluistert ze.

‘Of misschien zijn we gewoon moe,’ zeg ik voorzichtig.

Sanne draait zich naar me toe. ‘Ik ben bang dat we elkaar kwijt zijn geraakt.’

Die woorden doen pijn omdat ze waar zijn.

De week erna gaan we weer terug naar onze oude rollen, maar niets is meer hetzelfde. Ik probeer vaker te helpen zonder dat Sanne erom hoeft te vragen. We praten meer – soms huilend, soms schreeuwend – maar altijd eerlijker dan voorheen.

Op een avond zit ik alleen in de tuin met een biertje in mijn hand. De lucht ruikt naar regen en ergens blaft een hond in de verte.

Ik denk aan alles wat er gebeurd is en vraag me af: waarom is het zo moeilijk om elkaar echt te zien? Waarom zeggen we niet gewoon wat we voelen voordat het te laat is?

Misschien zijn er meer mensen zoals wij – zoekend naar balans tussen liefde en frustratie, tussen geven en nemen.

Hebben jullie dat ook wel eens? Dat je je afvraagt of je nog wel dezelfde mensen bent als vroeger? Of dat je bang bent elkaar kwijt te raken terwijl je juist samen zou moeten vechten?