De Begrafenis, het Bericht en de Waarheid die Volgt
‘Niet huilen, Marijke. Je moet sterk zijn nu.’ De stem van mijn dochter Anouk klinkt vlak, alsof ze haar verdriet in een doosje heeft gestopt. Ik knik, maar mijn handen trillen als ik de kist zie zakken in de aarde. Veertig jaar huwelijk, weggevaagd in één klap. Mijn hart bonkt in mijn borstkas, elke ademhaling doet pijn.
Dan trilt mijn telefoon in mijn jaszak. Ongepast, denk ik nog, maar iets dwingt me te kijken. Een onbekend nummer. Eén bericht: ‘Ik ben nog in leven. Vertrouw de kinderen niet.’
Mijn adem stokt. Mijn man, Pieter, ligt daar net begraven. Dit moet een wrede grap zijn. Ik kijk om me heen – niemand lijkt iets te merken. Anouk en mijn zoon Bas staan naast elkaar, hun gezichten strak van verdriet. Of is het iets anders?
Na de ceremonie loop ik met lood in mijn schoenen naar huis. De regen tikt zachtjes op het raam als ik het bericht opnieuw lees. Mijn hoofd tolde. Wie zou zoiets sturen? En waarom nu?
Thuis wacht de familie. Mijn schoonzus Els schenkt koffie in, Bas praat zacht met zijn vrouw Sanne. Ik voel me een buitenstaander in mijn eigen huis. ‘Mam, gaat het?’ vraagt Anouk bezorgd.
‘Ja, lieverd,’ lieg ik. Maar binnenin woedt een storm.
Die nacht lig ik wakker. De woorden uit het bericht echoën door mijn hoofd. ‘Vertrouw de kinderen niet.’ Wat bedoelt die persoon? Waarom zou iemand mij zoiets sturen? Mijn gedachten dwalen af naar de laatste maanden met Pieter. Hij was ziek, ja, maar soms leek hij bang voor iets wat hij niet wilde delen.
De volgende ochtend besluit ik het nummer te bellen. Mijn vingers beven als ik het intoets. Geen gehoor. Ik stuur een bericht terug: ‘Wie bent u? Dit is niet grappig.’ Geen reactie.
Dagen gaan voorbij. De stilte in huis is ondraaglijk. Anouk komt vaak langs, Bas minder. Hij lijkt afstandelijker sinds de dood van zijn vader. Op een avond hoor ik hem fluisteren met Sanne in de keuken.
‘Ze mag het nooit weten,’ zegt hij.
Mijn hart slaat over. Wat mag ik niet weten? Ik besluit hun gesprekken in de gaten te houden.
Een week later vind ik in Pieters oude jas een enveloppe met zijn handschrift: ‘Voor Marijke, als ik er niet meer ben.’ Mijn handen trillen als ik hem openmaak.
‘Lieve Marijke,
Als je dit leest, ben ik er niet meer. Er zijn dingen gebeurd waar ik je voor wilde beschermen. Vertrouw niet zomaar iedereen, zelfs niet onze kinderen. Ze hebben geheimen die je pijn kunnen doen.
Pieter’
Mijn wereld kantelt opnieuw. Wat bedoelde hij? Wat voor geheimen?
Ik besluit Anouk te confronteren.
‘Anouk, was er iets wat papa mij niet mocht weten?’
Ze schrikt zichtbaar. ‘Hoe bedoel je?’
‘Ik heb een brief gevonden.’
Ze kijkt weg, haar ogen vol tranen.
‘Mam… Bas en ik… We hebben iets gedaan waar we spijt van hebben.’
Mijn keel knijpt dicht. ‘Wat dan?’
Ze huilt nu echt. ‘Papa had geld apart gezet voor jou, voor na zijn dood. Maar Bas heeft… hij heeft geld opgenomen zonder dat papa het wist. En toen papa het ontdekte… ze kregen ruzie.’
Ik voel me misselijk worden. ‘Dus jullie hebben gelogen?’
Anouk knikt beschaamd.
Ik loop naar Bas toe, die net binnenkomt.
‘Bas, waarom heb je dat gedaan?’
Hij kijkt me aan met een mengeling van schuld en woede.
‘Ik had het nodig, mam! Voor mijn bedrijf! Papa begreep het niet…’
‘En daarom stuurde iemand mij dat bericht? Omdat jullie iets verborgen?’
Bas kijkt verbaasd op. ‘Welk bericht?’
Ik laat hem het sms’je zien. Zijn gezicht wordt lijkbleek.
‘Dat… dat kan niet…’
Op dat moment gaat mijn telefoon opnieuw af. Weer dat onbekende nummer: ‘Je bent dichtbij de waarheid.’
De angst grijpt me bij de keel.
Die nacht droom ik van Pieter, die me waarschuwt: ‘Kijk uit voor wie je vertrouwt.’
De volgende dag ga ik naar de politie met het sms’je en de brief van Pieter. Ze nemen me serieus, maar kunnen weinig doen zonder meer bewijs.
Thuis probeer ik te praten met Bas en Anouk, maar de sfeer is ijzig geworden. Sanne ontwijkt me, Els komt niet meer langs.
Op een avond vind ik op zolder Pieters oude laptop. Het wachtwoord weet ik nog: onze trouwdatum. Tot mijn verbazing staat er een mapje op het bureaublad: ‘Geheimen’.
Met bonzend hart open ik het mapje. Er staan e-mails in tussen Pieter en een zekere Jan Vermeer – een oude vriend van vroeger die we uit het oog waren verloren na een ruzie over geld.
In de mails schrijft Jan dat hij Pieter wil waarschuwen voor ‘de kinderen’. Dat ze achter zijn geld aanzitten en dat hij bewijs heeft van hun plannen om hem te laten tekenen onder valse voorwendselen.
Mijn handen trillen als ik verder lees: Bas heeft inderdaad documenten vervalst om toegang te krijgen tot Pieters spaarrekening.
Ik voel me verraden door mijn eigen bloed.
Ik besluit Bas te confronteren met het bewijs.
‘Bas, waarom heb je dit gedaan? Je vader vertrouwde je!’
Hij barst in tranen uit.
‘Het spijt me zo, mam… Ik was wanhopig…’
Anouk probeert hem te troosten, maar ik voel alleen maar leegte.
De politie wordt opnieuw ingeschakeld en Bas bekent alles. Het geld wordt teruggestort op mijn rekening, maar de schade is onherstelbaar.
Het onbekende nummer blijft berichten sturen: ‘Je hebt nu alles gevonden wat je moest weten.’
Op een dag besluit ik terug te bellen – en eindelijk neemt iemand op.
‘Met Jan Vermeer,’ klinkt het aan de andere kant.
‘Waarom heb je mij gewaarschuwd?’ vraag ik met trillende stem.
‘Omdat Pieter mij vroeg op je te letten als hem iets zou overkomen,’ zegt Jan zachtjes.
‘Hij vertrouwde zijn eigen kinderen niet meer.’
Tranen stromen over mijn wangen als ik ophang.
Nu zit ik hier, alleen in ons huis vol herinneringen en leugens. Mijn familie is verscheurd door geheimen en geldzucht – iets wat ik nooit voor mogelijk had gehouden in ons keurige rijtjeshuis in Amersfoort.
Was liefde ooit genoeg geweest om dit alles te voorkomen? Of zijn sommige wonden simpelweg te diep om ooit nog te helen?