Zal je op mij wachten? Een verhaal over verloren tijd en hoop

‘Zal je op mij wachten?’ De woorden galmen nog na in de gang, terwijl ik de deur zachtjes achter me dicht trek. Mijn stem trilt, ik hoor het zelf. Mijn dochter, Sanne, kijkt me aan met die blik die ik zo goed ken: mengeling van medelijden en ongeduld. ‘Mam, je moet niet zo dramatisch doen. Het is gewoon een etentje, ik ben zo terug.’

Maar ik weet beter. Het is nooit ‘gewoon’ iets. Sinds haar vader en ik uit elkaar zijn, is niets meer gewoon. Alles is beladen, elke stilte, elk woord. Ik zie mezelf in de spiegel in de hal. Mijn haar, ooit kastanjebruin en vol, hangt futloos langs mijn gezicht. De schaduwen onder mijn ogen lijken dieper dan ooit. Ik draai mijn hoofd, zoekend naar iets om van te houden. Maar wat? De rimpels rond mijn mond, de hangende mondhoeken? ‘Je moet jezelf accepteren zoals je bent,’ zeggen ze. Maar wat als je jezelf niet meer herkent?

De klok tikt. Vroeger leek de tijd eindeloos. Ik was altijd onderweg, altijd bezig. Nu lijkt het alsof de dagen zich aan elkaar rijgen zonder dat ik er grip op heb. Sanne’s stem klinkt nog na in mijn hoofd. ‘Mam, je moet ook eens aan jezelf denken.’ Maar hoe doe je dat, als je altijd voor anderen hebt geleefd?

Mijn telefoon trilt. Een bericht van mijn zus, Marijke. ‘Kom je morgen naar mama? Ze vraagt naar je.’ Ik zucht. Mijn moeder, die altijd alles beter wist. Die me vroeger streng toesprak als ik weer eens te laat thuis was. ‘Alicia, je verspilt je tijd met dromen. Je moet realistisch zijn.’ Maar wat als dromen het enige zijn wat je overeind houdt?

Ik besluit een wandeling te maken. Buiten is het koud, de wind snijdt langs mijn wangen. Op de hoek van de straat kom ik buurvrouw Els tegen. ‘Alles goed, Alicia?’ Haar ogen glijden even over mijn gezicht, blijven hangen bij mijn mondhoeken. ‘Je ziet er moe uit.’

‘Ja, het gaat wel,’ lieg ik. ‘Druk met van alles.’

‘Je moet het wat rustiger aan doen, hoor. Je bent geen twintig meer.’

Ik lach, maar het klinkt hol. ‘Nee, dat klopt.’

Thuisgekomen plof ik op de bank. De stilte is oorverdovend. Vroeger was het huis vol geluid: gelach, ruzies, muziek. Nu hoor ik alleen het tikken van de klok en het zachte gezoem van de koelkast. Ik pak een fotoalbum. Op de eerste bladzijde een foto van mij en Erik, mijn ex-man, op het strand in Zeeland. We lachen, de zon schijnt. Ik weet nog precies hoe het voelde: jong, onoverwinnelijk. Alles lag nog open.

‘Waarom ben je eigenlijk weggegaan?’ vraag ik hardop aan de foto. Natuurlijk krijg ik geen antwoord. Erik zei altijd dat hij zich verstikt voelde. ‘Je bent veranderd, Alicia. Je bent niet meer de vrouw op wie ik verliefd werd.’ Maar hoe kon ik dezelfde blijven? Het leven verandert je, of je wilt of niet.

De deurbel gaat. Mijn hart slaat over. Even hoop ik dat het Sanne is, dat ze zich bedacht heeft. Maar het is de postbode. ‘Pakketje voor mevrouw de Vries.’

‘Dank u wel,’ zeg ik. Mijn stem klinkt schor. Ik zet het pakketje op tafel, geen idee wat erin zit. Misschien iets wat ik online heb besteld in een opwelling, om de leegte te vullen.

’s Avonds bel ik Marijke. ‘Hoe gaat het met mama?’

‘Ze is moe. Ze vraagt steeds naar jou. Je moet echt eens langskomen, Alicia. Ze wordt niet jonger.’

‘Ik weet het. Ik kom morgen.’

‘En met jou? Je klinkt zo… afwezig.’

‘Ik weet het niet, Marijke. Soms voelt het alsof ik mezelf kwijt ben.’

‘Je moet niet zo zwaar denken. Ga iets leuks doen. Ga daten, of zo.’

Ik lach schamper. ‘Wie zit er nou te wachten op een vrouw van bijna vijftig?’

‘Je weet het nooit. Je bent nog steeds mooi, Alicia. Je moet het alleen zelf weer geloven.’

Na het gesprek staar ik naar het plafond. De eenzaamheid kruipt als een koude deken over me heen. Ik denk aan vroeger, aan de avonden dat Erik en ik samen op de bank zaten, Sanne tussen ons in. Alles leek toen zo vanzelfsprekend. Nu voelt het alsof ik op een kruispunt sta, zonder te weten welke kant ik op moet.

De volgende dag ga ik naar mijn moeder. Ze zit in haar stoel bij het raam, haar handen gevouwen in haar schoot. ‘Alicia, meisje, wat zie je bleek. Gaat het wel?’

‘Het gaat, mam. Hoe is het met u?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Oud worden is niks, kind. Je wordt wakker en alles doet pijn. Maar je moet doorgaan. Je hebt geen keus.’

Ik knik. ‘Soms weet ik niet meer hoe dat moet, doorgaan.’

Ze pakt mijn hand. Haar huid is dun, bijna doorschijnend. ‘Je moet niet te veel nadenken. Het leven gaat zoals het gaat. Je moet het nemen zoals het komt.’

Op de terugweg denk ik na over haar woorden. Is het echt zo simpel? Gewoon accepteren wat er is? Maar wat als je het gevoel hebt dat je leven aan je voorbijgaat, dat je kansen hebt gemist die nooit meer terugkomen?

’s Avonds, als ik alleen ben, besluit ik toch een profiel aan te maken op een datingsite. Mijn handen trillen terwijl ik mijn leeftijd invul, een recente foto upload. Ik twijfel. Wie zit er op mij te wachten? Maar iets in mij wil het proberen. Misschien is er nog iemand die mij ziet zoals ik ooit was – of zoals ik zou willen zijn.

De dagen verstrijken. Af en toe krijg ik een berichtje, meestal van mannen die veel ouder zijn dan ik, of die alleen maar oppervlakkige gesprekken willen. Ik voel me nog eenzamer dan daarvoor. Tot ik een bericht krijg van Jan. Hij is 52, woont in Utrecht, houdt van wandelen en lezen. Zijn bericht is anders. ‘Ik weet hoe het voelt om opnieuw te moeten beginnen. Misschien kunnen we samen een nieuw hoofdstuk schrijven?’

We spreken af in een café aan de gracht. Ik ben zenuwachtig, mijn handen klam. Als ik binnenkom, staat hij al op me te wachten. ‘Alicia?’

‘Jan?’

Hij glimlacht. ‘Je bent mooier dan op de foto.’

We praten uren. Over onze kinderen, over scheidingen, over dromen die we hadden en die we misschien nog steeds hebben. Voor het eerst in lange tijd voel ik me gezien. Als ik naar huis loop, voel ik een sprankje hoop. Misschien is het nog niet te laat.

Thuis wacht Sanne op me. ‘Hoe was het?’ vraagt ze, haar ogen glinsteren.

‘Het was… fijn. Echt fijn.’

Ze knikt. ‘Zie je wel, mam. Je moet jezelf niet opgeven.’

Die nacht lig ik wakker. Ik denk aan alles wat geweest is, aan alles wat misschien nog kan komen. De tijd gaat snel, ja. Maar misschien is er nog tijd om te leven, om lief te hebben, om mezelf weer te vinden.

Zal er iemand op mij wachten, zoals ik altijd op anderen heb gewacht? Of moet ik leren op mezelf te wachten, mezelf te omarmen, zoals ik ben? Wat denken jullie – is het ooit te laat om opnieuw te beginnen?