Jammer dat het niet van mij is – Een avond vol onthullingen
‘Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn met wat ik heb?’ dacht ik, terwijl ik de theepot op het aanrecht zette en de kopjes klaarzette. Mijn handen trilden licht. Buiten was het typisch Hollands weer: grijs, met een motregen die de ramen besloeg. De bel ging. ‘Daar zijn ze,’ fluisterde ik tegen mezelf, en ik probeerde mijn glimlach op te zetten.
‘Dana! Wat gezellig, het ruikt hier heerlijk!’ riep Kasia terwijl ze haar jas uitdeed. Ze hield een fles rode wijn omhoog. ‘Italiaanse, speciaal voor vanavond.’
Ela volgde haar, haar armen vol met een schaal dampende lasagne. ‘Ik hoop dat je trek hebt, Dana. Dit is mijn geheime recept.’
We lachten, maar ik voelde een knoop in mijn maag. ‘Kom binnen, dames. Maak het je gemakkelijk.’
We gingen aan tafel zitten. De kaarsen flakkerden, het licht weerspiegelde in de glazen. Kasia schonk wijn in. ‘Op ons!’ zei ze, en we tikten de glazen tegen elkaar. Maar onder het geroezemoes voelde ik de spanning groeien. Ik wist dat deze avond anders zou worden.
‘Dana, hoe gaat het nou echt met je?’ vroeg Ela plotseling, haar blik doordringend. ‘Je lijkt de laatste tijd zo afwezig.’
Ik slikte. ‘Het gaat wel. Gewoon druk op het werk, je weet hoe het is.’
Kasia legde haar hand op de mijne. ‘Je hoeft je niet groot te houden bij ons. We zijn vriendinnen, geen collega’s vanavond.’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Het is gewoon… soms voelt het alsof alles wat ik heb, niet echt van mij is. Mijn huis, mijn baan, zelfs mijn relatie met Mark. Alsof ik in iemand anders’ leven leef.’
Ela keek me aan, haar ogen zacht. ‘Waarom denk je dat?’
Ik haalde diep adem. ‘Mark en ik… we zijn uit elkaar gegroeid. Hij is altijd weg, met zijn vrienden, op de golfbaan, of hij werkt over. En als hij thuis is, praten we nauwelijks. Soms denk ik dat hij iemand anders heeft.’
Kasia zuchtte. ‘Dat klinkt zwaar, Dana. Heb je het hem gevraagd?’
‘Nee,’ fluisterde ik. ‘Ik ben bang voor het antwoord. En op het werk… iedereen lijkt zo zeker van zichzelf. Jullie ook. Jullie hebben alles op orde. Ik voel me soms zo’n buitenstaander.’
Ela schudde haar hoofd. ‘Dana, geloof me, niemand heeft alles op orde. Ik bijvoorbeeld…’ Ze aarzelde even, haar stem brak. ‘Ik heb vorige week gehoord dat mijn moeder weer ziek is. Kanker. Ik heb het niemand verteld, want ik wil niet zielig gevonden worden.’
De stilte was zwaar. Kasia pakte Ela’s hand. ‘Wat vreselijk, Ela. Waarom heb je niets gezegd?’
Ela haalde haar schouders op. ‘Ik wilde niet dat alles om mij zou draaien. Maar soms… soms wil ik gewoon schreeuwen van de angst.’
Ik voelde me schuldig. ‘Sorry, ik was zo met mezelf bezig…’
‘Nee, Dana,’ onderbrak Ela me. ‘We zitten allemaal in hetzelfde schuitje. We doen alsof we alles aankunnen, maar vanbinnen zijn we allemaal bang.’
Kasia nam een slok wijn, haar ogen glinsterden. ‘Weet je wat het is? Ik ben jaloers op jullie allebei. Jullie hebben een huis, een relatie, familie. Ik heb alleen mijn werk. Mijn ouders zijn terug naar Polen, ik zie ze nauwelijks. En elke avond kom ik thuis in een leeg appartement.’
Ik keek haar verbaasd aan. ‘Maar jij bent altijd zo vrolijk, zo vol plannen…’
Ze lachte schamper. ‘Dat is een masker. Ik ben bang dat als ik stilsta, de eenzaamheid me opslokt.’
De lasagne werd koud terwijl we onze geheimen deelden. De tijd leek stil te staan. Buiten tikte de regen harder tegen het raam.
‘Weet je nog, toen we elkaar voor het eerst ontmoetten op kantoor?’ vroeg Ela plotseling. ‘Ik dacht dat jullie allebei zo zelfverzekerd waren. Ik voelde me zo klein naast jullie.’
‘Dat dacht ik van jou!’ riep Kasia uit. ‘Je was altijd zo rustig, zo vriendelijk tegen iedereen. Ik dacht: die Ela, die heeft haar leven op orde.’
We lachten, maar het was een lach vol weemoed.
‘Misschien is dat het wel,’ zei ik zacht. ‘We kijken naar elkaar en denken dat de ander het beter heeft. Maar eigenlijk zijn we allemaal onzeker.’
Kasia knikte. ‘Jammer dat het niet van mij is, hè? Dat gevoel van zekerheid, van thuiskomen. Ik verlang er zo naar.’
Ela stond op en liep naar het raam. Ze keek naar buiten, naar de natte straat. ‘Misschien moeten we stoppen met vergelijken. Misschien moeten we gewoon accepteren dat het leven soms rommelig is. Dat we niet alles onder controle hebben.’
Ik voelde een last van mijn schouders vallen. ‘Dank jullie wel. Echt. Ik dacht dat ik de enige was die zich zo voelde.’
Kasia glimlachte. ‘We zijn nooit alleen, Dana. Zelfs niet als het zo voelt.’
We zaten nog uren te praten. Over onze dromen, onze angsten, onze verlangens. Over de kleine dingen die ons gelukkig maken: een warme kop thee, een goed boek, samen lachen.
Toen de avond ten einde liep, omhelsden we elkaar. ‘Laten we dit vaker doen,’ zei Ela. ‘Echt praten. Niet alleen over werk, maar over het leven.’
‘Afgesproken,’ zei ik. ‘En de volgende keer is het bij één van jullie thuis. Ik breng de wijn.’
Toen ik alleen achterbleef, keek ik naar de lege glazen, de half opgegeten lasagne, de kaarsen die bijna opgebrand waren. Ik voelde me lichter, maar ook verdrietig. Hoeveel mensen lopen er rond met een masker, terwijl ze vanbinnen schreeuwen om hulp?
Misschien moeten we vaker vragen: “Hoe gaat het nou echt met je?” En durven luisteren naar het antwoord. Wat denken jullie? Herkennen jullie dat gevoel, dat je soms in iemand anders’ leven lijkt te leven?