Samen is niet altijd makkelijker: Het verhaal van Ria en Trees
‘Dus jij wilt dat ik jóuw schoenen opruim?’ Trees stond midden in de woonkamer, haar armen over elkaar en haar stem trilde zoals alleen Trees dat kon als ze écht boos was. Het was acht uur ’s ochtends, ik stond nog in mijn ochtendjas en voelde direct die diepe irritatie weer omhoog borrelen. ‘Nou, ze staan óók in mijn gang, hè Trees. We wonen hier samen,’ probeerde ik zachtjes, maar de spanning hing al in de lucht.
Het was niet de eerste keer. Sinds onze kinderen uit huis waren en wij tweeën als grijze vrijgezellen achterbleven, hadden Trees en ik afgesproken het nóg één keer helemaal anders te doen. Geen bejaardenwoningen, geen bingo-avonden. We huurden een schattig huis aan de rand van Delft, twee slaapkamers, grote tuin, gezellige wijk. Dachten we dan. We zouden kamers verhuren via het internet – “zo makkelijk verdiend!” – en samen lachen om die gekke studenten en hun rare fratsen.
Maar de realiteit – tja, die bleek weerbarstiger dan alle mooie praatjes aan de keukentafel.
Onze eerste huurder was een Poolse jongen, Marek, nauwelijks ouder dan mijn jongste dochter. De eerste avond, Trees en ik op de bank, Marek met koptelefoon achter zijn laptop, rookten we stiekem een laatste sigaret in de tuin. ‘Zie je, zo gezellig kan het zijn,’ zuchtte Trees. Een week later stond Trees te schreeuwen dat Marek zijn yoghurt uit onze koelkast had gegeten – je zou denken dat de wereld verging. ‘Wij zijn geen hotel!’ riep ze. Marek begreep er niks van, dacht dat die fles voor het hele huis was. Twee dagen later vertrok hij scheldend en onze gezellige plannen kregen een flinke deuk.
En toen kwamen de discussies pas echt. Want wie regelt nou de wifi? Moet ik áltijd de vuilnisbak buiten zetten? En als Trees haar zoon Bart op bezoek heeft – mag hij zomaar blijven slapen? Ik snauwde haar laatst toe: ‘Het voelt alsof ik bij mijn eigen moeder ben ingetrokken!’ Waarop Trees keihard “dan moet je dát maar gaan doen!” terug riep.
Onze band was altijd sterk geweest, al sinds de kleuterschool. We deelden alles: geheimen, liters wijn, huilbuien in de nacht. Maar deze muren maakten van die vrijheid iets drukkends. Het huis kraakte vaker dan vroeger, de stilte tussen ons werd soms venijnig. Een avond, Trees met rode wangen na een woede-uitbarsting over haar verdwenen koffiemelk, schoot het uit me: ‘We worden net onze moeders! Altijd zeuren, altijd klagen, nergens meer blij mee!’
Het gekke is, je denkt dat je elkaar kent. Je denkt dat ruim veertig jaar vriendschap overal tegen bestand is. Maar als je ’s ochtends struikelt over iemand anders’ sokken, ’s middags je huis deelt met een vreemde student en ’s avonds weer die verrekte deurbel hoort omdat de buurvrouw “even kwam kijken hoe het gaat”, dan word je kleiner. Je wereld wordt ineens zo veel kleiner als je altijd samen bent.
En toch. Achter al het geruzie, de mislukte plannen – want na Marek volgde er een Duitse stagiaire die haar badkamer niet schoonmaakte, een Delta-student die nachtenlang vrienden meenam, een gescheiden vrouw met een kind dat overal plakhanden achterliet – werden Trees en ik óók weer op elkaar teruggeworpen. Vriendschap is makkelijk als het leven soepel loopt. Maar midden in de nacht besefte ik: misschien zit onze kracht juist in het samen verdwalen.
Toch waren er momenten waarop ik het wilde opgeven. Ik belde op een avond huilend met mijn dochter Anne. ‘Mam, waarom doe je dit jezelf aan? Ga toch alleen wonen! Je hebt al genoeg vrienden.’ Ze begrijpt niet wat eenzaamheid met oude botten doet. Je loopt niet zomaar elke dag een bushalte op en af om weer iemand te leren kennen; je wil gewoon ergens bij horen. Trees begreep dat wél. Daarom snapte ik ook weer waarom ik ’s avonds tegen haar aan zat te klagen, zelfs als ik haar soms niet kon uitstaan.
Onze omgeving werd natuurlijk ook steeds lastiger. De buurvrouw – mevrouw Van Eck – bemoeide zich overal mee. ‘Ria, Trees! Weer een andere jongeman bij jullie over de vloer? Moet dat nou zo?’ Een keer ving ik Trees in een hysterische lachbui bij het keukenraam. Ze zei: ‘Die denken dat we een bordeel runnen!’ We konden erom lachen, maar ergens voelde het ook beschamend. Want we konden niet uitleggen dat alles wat we probeerden, niet liep zoals we hadden bedacht. Er was steeds schuldgevoel, altijd het gevoel tekort te schieten.
En toen gebeurde het ergste. Bart, Trees’ zoon, kwam op een avond dronken aanzetten met zijn vriendin. Geen kamer vooraf besproken, niks gezegd – “ik woon hier ook, mam, je zei dat ik altijd terecht kon!” Die nacht schalde er gebral door het huis. De volgende ochtend trof ik Trees huilend in de tuin. ‘Ik weet het niet meer, Ria. Misschien moeten we stoppen.’ Mijn keel kneep dicht. En met een stem voller tranen dan ik gewend ben van mezelf, fluisterde ik: ‘Wie zijn we nog als we niet meer samen zijn, Trees?’
De weken daarna werd het stiller. De kamer stond leeg. Ik verstuikte mijn enkel op de trap, Trees zette een vriendinnetje buiten omdat die de wc besmeurd had – alles voelde zwaarder dan ooit. De stilte dreigde ons op te slokken. Maar ergens, in de kleinste momenten, vond ik weer iets van het oude plezier. Samen koffie drinken in de vroege ochtend, de tuin zomer-klaar maken, samen vloeken om een lekkend dak. Trees gaf toe dat ze soms bang was dat alles op zou houden als ik er niet was. ‘Dan moet ik zeugen met mezelf,’ zei ze gekscherend.
Wij kwamen uiteindelijk tot het besef dat – hoe voorspelbaar ook – het avontuur niet in geld verdienden zit, of in spannende huurders, maar in elkaar opzoeken, ook als dat pijn doet. Toen ik haar vroeg: ‘Had je dit allemaal over willen doen?’, keek Trees me lang aan. Ze zei zacht: ‘Jij bent mijn familie, gekkie. Maar ik blijf zeuren over die schoenen hoor.’
’s Avonds, met een glas wijn in onze hand, grapten we nog over een volgende wanhopige poging een kamer te verhuren. Maar we wisten allebei: het huis kan vol staan met mensen, als je niet samen wil vechten, dan zit je alsnog alleen. Is het niet zo dat je pas écht weet wie je bent als alles misgaat en er toch iemand naast je aa, die blijft?
Had ik dit ooit verwacht? Niet in duizend jaar. Maar misschien is vriendschap niet wat je er zelf van maakt – misschien is het gewoon samen door de troep ploegen, tot je eindelijk weer kan lachen. Zou jij het aandurven om alles te verliezen voor een vriendin?