Toen onze hechte vriendschap voelde als een zorgtakenlijst
“Als jullie dit afzeggen, weten we wel genoeg.” Dat zei zij vorige week aan onze eettafel, met haar jas nog aan. Mijn man keek meteen naar mij, zo van: zeg jij er maar wat van. Maar ik wist ook even niet wat ik moest zeggen, want eerlijk is eerlijk: we denken er inderdaad over om die reis niet te doen.
Wij zijn allebei begin zestig en al heel lang bevriend met een ander stel. Bijna dertig jaar. We gingen samen een weekend naar Zeeland, een midweek naar Drenthe, stedentrips met de trein, etentjes, terrasjes, fietsen door de duinen, wandelen op de Veluwe. Het was altijd makkelijk. Als wij iets voorstelden, was het meestal goed. Als zij iets bedachten, sloten wij aan. We kenden elkaars gewoontes, elkaars humor, zelfs elkaars stiltes.
De laatste twee jaar is er iets veranderd. Bij hem gaat lopen moeilijker, hij heeft last van zijn heup en is snel moe. Bij haar speelt evenwicht en kortademigheid. Allemaal heel vervelend, en dat meen ik echt. Alleen is daardoor ons hele contact ook veranderd. Een wandeling van een uur werd twintig minuten met drie stops. Een etentje werd alleen nog mogelijk als er voor de deur geparkeerd kon worden, de stoelen goed waren, het niet te druk was, het niet te laat werd en de kaart “niet te moeilijk” was. Ook daarin dacht ik eerst: logisch, hoort erbij, we passen ons wel aan.
Maar langzamerhand paste Γ‘lles zich aan hen aan.
Als wij zeiden: “Zullen we naar Scheveningen, even uitwaaien?” dan kwam er: “Alleen als we dichtbij de boulevard kunnen parkeren en niet ver hoeven te lopen.” Als wij voorstelden om ergens te lunchen, moesten wij eerst bellen of er geen trapje bij de ingang zat. Als we een museum wilden, wilde zij eerst weten hoeveel bankjes er waren. Mijn man deed dat allemaal trouw. Parkeerapps erbij, route uitzoeken, kijken waar een invalidentoilet was, reserveren op rustige tijden.
Ik deed daar net zo goed aan mee. Dat is ook mijn fout geweest. Ik zei vaak tegen mijn man: “Ach, kleine moeite toch?” Maar ondertussen merkte ik dat wij zelf nergens meer spontaan naartoe gingen met hen. Alles moest voorbereid, geregeld en opgevangen worden.
Een paar maanden geleden ging het voor mijn gevoel schuiven van vriendschap naar zorgen. We waren in een pannenkoekenhuis in de buurt van Apeldoorn. Nog voor we zaten, zei zij: “Wil jij even meelopen naar het toilet? Ik voel me niet zo zeker.” Natuurlijk deed ik dat. Daarna zei hij tegen mijn man: “Kun jij de auto alvast dichterbij zetten? Dan hoef ik straks niet zo ver.” Ook prima. Maar toen we thuiskwamen, zei mijn man: “Het voelt alsof ik de hele middag aan het opletten ben geweest in plaats van gezellig uit te zijn.”
Ik dacht precies hetzelfde, maar ik vond het hard om dat uit te spreken.
Daar komt nog iets bij wat ik niet eerlijk heb aangepakt. Ik begon soms smoesjes te verzinnen. Dan zei ik dat we al iets hadden, terwijl we gewoon een dag voor onszelf wilden. Of ik reageerde laat op appjes omdat ik geen zin had in weer een uitje waar wij alles moesten trekken. Ik voelde me daar schuldig over, maar ik durfde ook niet gewoon te zeggen: het kost ons te veel energie.
Daardoor werd de irritatie alleen maar groter. Bij hen ook, denk ik. Want voor hun gevoel werden wij afstandelijk.
In april kwam het voorstel voor een grote reis. Niet vliegen, want dat vonden ze te veel gedoe. Hun idee was drie weken met de auto door Nederland: eerst een paar dagen Maastricht, dan via de Veluwe naar Giethoorn, daarna Friesland en afsluiten op Texel. “Net als vroeger, gezellig met z’n vieren,” zei zij. “Jullie zijn toch goed in regelen.”
Ik vroeg nog voorzichtig: “Hoe zien jullie dat precies voor je?” Toen kwam het hele lijstje. Mijn man zou het rijden doen, want hij rijdt “rustig en betrouwbaar”. Ik moest de hotels uitzoeken met lift, aangepaste douche, parkeren voor de deur en ontbijt op normale tijd. We zouden het liefst om de dag iets kleins doen, niet te lang, en als er iets misging moesten we flexibel zijn. Zij zei het alsof het de gewoonste zaak van de wereld was: “Samen lukt het ons wel. Alleen zouden wij zoiets niet meer durven.”
Mijn man zei toen nog vrij luchtig: “Dat klinkt wel alsof wij de reisleiding zijn.” Zij lachte, maar zei meteen: “Ja, nou en? Daar zijn vrienden toch voor?”
Die zin bleef hangen.
Thuis kregen wij er ruzie over. Ik zei eerst dat we het misschien gewoon moesten doen, uit loyaliteit. Mijn man werd boos. “Loyaliteit is prima, maar ik wil geen drie weken verantwoordelijk zijn als er iets gebeurt. Wat als hij valt? Wat als zij halverwege instort? Dan zitten wij ermee.” Ik vond hem op dat moment hard. Tot hij zei: “En jij dan? Jij bent na een middag met hen helemaal leeg. Waarom mag dat er niet zijn?”
Hij had gelijk. Ik was moe, maar ik wilde ook het beeld van onze vriendschap niet kwijt. Alsof nee zeggen zou betekenen dat het vroeger dan ook niet echt was geweest.
Vorige week hebben we het eindelijk uitgesproken. Ze waren hier op koffie. Mijn man begon heel netjes: “We willen best nog dingen samen doen, maar die reis gaat ons niet lukken. Dat is te intensief voor ons.” Meteen verstarde de sfeer. Zij zei: “Dus een lunch kan nog net, maar als het ingewikkeld wordt, haken jullie af.” Hij zei: “Dat is niet eerlijk. We haken niet af, we geven onze grens aan.” Toen zei zij dus: “Als jullie dit afzeggen, weten we wel genoeg.”
Ik zei nog: “Zo bedoelen we het niet. We merken alleen dat veel op ons neerkomt. Misschien is een georganiseerde busreis via de ANWB of een hotel op één plek handiger?” Daar waren ze duidelijk beledigd over. Hij zei: “Wij zijn toch geen oudjes die weggebracht moeten worden.” Mijn man antwoordde: “Maar wij zijn ook geen mantelzorgers.” Daarna was het eigenlijk klaar.
Toen kwam er nog iets wat het pijnlijker maakte. Zij zei: “Toen jij vorig jaar met je knie zat, hebben wij toch ook rekening met jou gehouden?” En dat was waar. Alleen was dat zes weken, geen twee jaar, en ik had hen nooit gevraagd om mijn agenda, vervoer en tempo over te nemen. Maar ik snapte wel dat het voor hen zo voelde: wij waren er wel toen jij iets had, en nu wij minder kunnen, trekken jullie je terug.
Sindsdien is het stil. Alleen een kort appje dat ze “tijd nodig hebben”. Ik voel me rot, want dit zijn mensen met wie we oud dachten te worden, gewoon als vrienden. Tegelijk voel ik ook opluchting, en daar schaam ik me voor. Alsof ik eindelijk niet meer elk uitje hoef te managen.
Ik blijf twijfelen. Echte vriendschap is er ook als het minder makkelijk wordt, dat vind ik echt. Maar moet dat betekenen dat je je eigen vrijheid, spontaniteit en energie structureel inlevert? En had ik veel eerder eerlijk moeten zijn in plaats van vriendelijk blijven en ondertussen ergernis opbouwen?
Ik ben benieuwd hoe anderen dit zien: wanneer help je vrienden uit loyaliteit, en wanneer wordt het eigenlijk een zorgrol die te veel van je eigen leven vraagt?