Na twee jaar zorgen voor onze beste vrienden voel ik me nu vooral gebruikt
“Dus we gaan niet?” zei mijn man aan de keukentafel, met die reisfolder nog in zijn hand. Ik zei: “Ik trek het niet.” En toen werd het stil, omdat we allebei wisten dat het niet alleen over die vakantie ging.
Wij kennen dat andere echtpaar al meer dan dertig jaar. Verjaardagen, etentjes, weekendjes Texel, op elkaars kinderen passen vroeger, later samen wandelen en uit eten. Nooit gedoe over wie betaalde of wie reed. Gewoon vanzelfsprekend. Als er iets was, deed je wat je kon.
Twee jaar geleden werd bij haar borstkanker vastgesteld. Alles stond ineens op z’n kop. Chemo, ziekenhuis, vermoeidheid, angst, gedoe met afspraken in het UMC, steeds uitslagen afwachten. Haar man trok het slecht. Niet omdat hij niet van haar hield, maar omdat hij in paniek schoot van alles wat geregeld moest worden. Mijn man zei meteen: “We springen bij.” En dat deden we ook.
In het begin voelde dat heel logisch. Ik deed boodschappen bij Albert Heijn, zette maaltijden in hun koelkast, maakte het toilet schoon, waste beddengoed, ging mee naar controles als haar man moest werken of het niet aankon. Mijn man maaide hun tuin, reed naar de apotheek, regelde dingen met de gemeente toen er tijdelijk huishoudelijke hulp moest komen. We haalden zelfs een paar keer hun container buiten als ze het vergaten. Geen probleem. Echt niet.
Zij zei toen vaak: “Ik weet niet wat we zonder jullie moesten.” En hij ook. Soms met tranen. Dan zei ik: “Hou toch op, daar zijn vrienden voor.” Dat meende ik ook.
Alleen… het hield niet op toen het ergste voorbij was.
Ze is gelukkig grotendeels hersteld. Nog niet de oude, dat snap ik heus. Sneller moe, minder belastbaar, en natuurlijk blijft de angst. Maar het patroon is gebleven. Appjes als: “Zou jij nog even wat boodschappen kunnen meenemen?” “Kunnen jullie zaterdag komen, de schutting moet nog behandeld.” “Wij redden het niet om op de kleinkinderen te passen, kunnen jullie misschien inspringen?” Of pas contact als ze naar Schiphol moesten, een oppas nodig hadden voor de hond, of als er iets met de verzekering online ingevuld moest worden.
Wat bijna wegviel, was gewoon normaal contact. Niet: hoe is het met jullie? Niet eens een keer: zullen wij voor jullie koken? Mijn man zei steeds vaker: “Het is geen vriendschap meer, het is een dienstrooster.”
Daar werd ik boos om. Ik zei: “Je kunt na zoiets toch niet de boekhouding erbij pakken?” Hij zei: “Dat doe ik niet. Maar ik wil wel dat mensen zien wat we al twee jaar doen.” Ik vond hem hard. Hij vond mij grenzeloos.
Toen kwam er iets bij wat ik eerst zelf ook niet eerlijk had verteld. Vorig najaar had ik van de huisarts gehoord dat ik zelf rustiger aan moest doen. Hoge bloeddruk, slecht slapen, hartkloppingen door stress. Niks levensbedreigends, maar wel een duidelijke waarschuwing. Mijn man wist dat natuurlijk. Onze vrienden niet. Ik had er steeds niks over gezegd, omdat ik dacht: laat hun herstel nou eerst centraal staan. En misschien ook omdat ik graag degene ben die het redt.
Een paar weken geleden belde zij. Vrolijk. “We zitten te kijken naar een huisje in Zeeland in september, jullie gaan toch wel mee? Zou zรณ goed zijn om weer iets leuks te doen met z’n vieren.” Ik voelde meteen weerstand. Niet eens door Zeeland, maar omdat ik dacht: nu ineens weer gezellig doen, terwijl alles tussendoor alleen maar praktisch was als jullie iets nodig hadden.
Ik zei: “Ik weet niet of dat slim is voor ons.” Ze vroeg: “Hoezo, hebben jullie wat anders?” Ik zei: “Nee, maar we zijn best moe eigenlijk.” Toen werd ze stil en zei: “Moe waarvan dan?”
Dat kwam echt binnen. Ik zei: “Van alles de afgelopen tijd.” Zij: “Bedoel je voor ons? Want dan vind ik dit wel pijnlijk eerlijk gezegd.” Ik schrok daar weer van en zei veel te fel: “Ja, ook voor jullie, als je het zo wilt weten.” Toen zei zij: “We hebben jullie nooit iets verplicht.” En formeel heeft ze daar gelijk in.
Later die avond belde haar man mijn man. Dat gesprek ging ook niet goed. Hij zei: “We dachten dat jullie dit deden uit vriendschap, niet totdat het teveel werd.” Mijn man zei: “Dat deden we ook. Maar vriendschap is niet dat je alleen belt als je vervoer of hulp nodig hebt.” Daarop zei hij: “Je hebt geen idee wat zo’n ziekte met een huwelijk doet.” Mijn man antwoordde: “Nee, maar jij hebt ook geen idee wat het met ons heeft gedaan.” Sindsdien is het ijzig.
En nu zit ik ertussenin, ook omdat ik zelf deze scheve situatie mede in stand heb gehouden. Ik zei altijd ja. Ik bagatelliseerde mijn eigen klachten. Ik vond het bijna mooi om onmisbaar te zijn, als ik heel eerlijk ben. Dus misschien hebben zij ook echt niet gezien dat het voor ons teveel werd. Aan de andere kant: je merkt toch wel dat contact alleen nog functioneel is? Of zie ik dat nu te zwart?
Mijn man zegt dat we gewoon rustig moeten zeggen: we helpen nog steeds als er echt iets is, maar niet meer vanzelfsprekend en niet meer voor alles. En als zij daar boos om blijven, dan moeten we misschien accepteren dat de vriendschap veranderd is. Ik vind dat moeilijk. We hebben samen zoveel meegemaakt. Dan gooi je toch niet alles weg omdat de balans een tijd zoek is geweest?
Maar ik merk ook dat ik bij elk appje al spanning voel. En dat vind ik geen fijn gevoel bij mensen van wie ik zoveel hou.
Misschien hebben we veel te lang gedaan alsof alles normaal was, terwijl dat niet zo was. Ik had eerder mijn mond open moeten doen. Tegelijk voelt het naar om na ziekte alsnog grenzen te trekken, alsof je achteraf toch een rekening stuurt.
Wat zouden jullie doen? Is echte vriendschap juist doorgaan zonder die balans te wegen, of mag je op een gegeven moment zeggen: tot hier en nu moeten we opnieuw kijken hoe dit nog gezond kan zijn voor iedereen?