Na veertig jaar vriendschap vroeg ons beste vriendenstel of we met hen naar Spanje wilden verhuizen – en ineens wist ik niet meer wat trouw eigenlijk betekent

‘Dus jullie kiezen wéér voor dat dorp, en niet voor ons?’ Els zei het met tranen in haar ogen, maar ook scherp, bijna boos. We zaten gewoon aan onze eigen eettafel in Drenthe, de aardappels waren nog niet eens op, en toch voelde het alsof er iets definitief kapotging. Kees schoof zijn stoel naar achteren en zei: ‘Zo moet je het niet brengen, Els.’ Maar Jan keek alleen maar naar mij, alsof hij wilde dat ik eindelijk eens eerlijk zou zeggen wat hij al maanden voelde.

We kennen elkaar sinds begin jaren tachtig. Eerst met z’n vieren kamperen in Ommen, later met kleine kinderen in een bungalowpark, daarna samen door scheidingen van ouders, banenstress, bruiloften, pensioenfeesten. We vierden oud en nieuw bijna altijd samen. Als er wat was, belden we elkaar eerder dan onze broers of zussen. Zo dichtbij waren we.

En nu ging het over een appartementje aan de Costa Blanca.

Jan en Els zijn vorig jaar met pensioen gegaan en waren meteen anders gaan kijken naar hun leven. Minder regen, minder gedoe, meer vrijheid. ‘We hebben nog een goed lijf, we moeten het nú doen,’ zei Els al maanden. Eerst klonk het als een droom voor erbij. Een paar maanden overwinteren. Toen werd het serieuzer. Bezichtigingen. Een makelaar. Foto’s op de app van witte muren, een klein balkon en een sinaasappelboom in een gemeenschappelijke tuin.

Ik vond het ze oprecht gunnen. Echt. Maar toen kwam de vraag of wij ook niet mee wilden. Niet per se in hetzelfde huis, maar wel in hetzelfde complex of in elk geval een groot deel van het jaar. ‘Hoe mooi zou het zijn als we daar samen oud worden?’ zei Jan. ‘Kaartje leggen, wandelen, beetje leven. Gewoon wij vieren, zoals altijd.’

Kees lachte toen nog wat weg. ‘Ja ja, eerst maar eens de winter hier doorkomen.’ Maar ze bleven erop terugkomen. Serieuzer ook. Alsof het niet alleen een uitnodiging was, maar een test.

Wij zitten hier vast, dat is waar. Maar niet op een zielige manier. We wonen al vijfendertig jaar in hetzelfde dorp. Kees zit in het bestuur van het dorpshuis. Ik help twee middagen in de week bij de voedselkast en we doen allebei veel voor onze buurman Henk, sinds zijn vrouw drie jaar geleden is overleden. Henk heeft Parkinson. Geen officiële mantelzorg op papier misschien, maar wel de praktijk: boodschappen, ziekenhuisritjes naar Assen, even checken of hij gegeten heeft, de container aan de weg. Als wij er een week niet zijn, merkt het hele rijtje dat.

Ik zei tegen Els: ‘Het is niet dat we niet wíllen genieten. Maar wij hebben hier ook een leven.’

‘Dat hebben wij toch ook gehad?’ zei ze meteen. ‘Op een gegeven moment mag je toch ook voor jezelf kiezen?’

Daar zat precies de pijn. Alsof zij vonden dat wij laf waren. Alsof wij uit plicht bleven hangen, terwijl zij moedig genoeg waren om echt te leven.

Een paar weken geleden escaleerde het. We zaten op hun bank, koffie in van die Spaanse mokken die ze alvast hadden gekocht. Jan zei: ‘Ik snap het gewoon niet. Jullie doen alsof jullie onvervangbaar zijn.’

Kees werd rood. ‘Dat zeggen we niet. Maar mensen rekenen wel op ons.’

‘Ja, maar dat is nou precies het punt,’ zei Els. ‘Iedereen rekent altijd op jullie. En wij dan?’

Ik weet nog dat het even helemaal stil was. Je hoorde alleen de koelkast zoemen.

Toen zei ik: ‘Vraag jij nou echt of wij een zieke buurman en ons hele leven hier moeten loslaten, zodat we bewijzen dat we echte vrienden zijn?’

Els begon te huilen. Jan keek gekwetst, maar ook koppig. ‘Nee,’ zei hij. ‘Ik vraag of vriendschap na veertig jaar nog ergens vóór staat. Of het alleen gezellig was zolang het uitkwam.’

Die zin heeft me nachten wakker gehouden. Want eerlijk: een deel van mij was jaloers. Op hun lef. Op hun plan. Op het idee van winterzon en een nieuw hoofdstuk. Soms dacht ik: misschien verschuil ik me inderdaad achter nuttig zijn. Misschien is zorgen voor anderen ook een manier om niet te hoeven kiezen voor iets spannends.

Maar toen Henk laatst op woensdagavond belde omdat hij zijn medicijnen door elkaar had gehaald, zat ik binnen tien minuten bij hem aan tafel. Zijn hand trilde zo erg dat de thee over het schoteltje liep. Hij zei: ‘Sorry dat ik weer lastig ben.’ En ik hoorde mezelf zeggen: ‘Je bent niet lastig, Henk. Daar zijn buren voor.’ Dat meende ik ook.

Vorige zondag zijn we gaan wandelen met Jan en Els, gewoon langs het kanaal, alsof we een normaal gesprek konden voeren. Het regende zacht. Els had een capuchon op en zei opeens: ‘Ik ben gewoon bang dat we elkaar kwijtraken.’ Dat was eigenlijk de eerlijkste zin van allemaal.

Ik zei: ‘Ik ook.’

Kees zei daarna: ‘Maar elkaar vasthouden door hetzelfde te doen, is misschien niet de enige manier.’

Jan trapte een steentje weg en knikte langzaam. Niet overtuigd, maar ook niet meer in de aanval. We hebben nu afgesproken dat we in het voorjaar drie weken komen logeren als zij eenmaal iets hebben gevonden. Geen halve verhuizing, geen zes maanden per jaar, gewoon kijken wat wél kan. Misschien is dat voor hen te weinig en voor ons al veel. Maar het is tenminste echt.

Toch voelt het nog broos. Alsof we allemaal moeten rouwen om het beeld dat we van onze oude dag hadden: vier stoelen, één tafel, altijd samen. Misschien is vriendschap op onze leeftijd niet meer elkaar overal in volgen, maar verdragen dat de ander een ander soort leven kiest. En misschien doet dat juist zo’n pijn omdat het echt is.

Ik leer dat loyaliteit niet altijd betekent dat je meegaat, maar soms dat je blijft staan waar je bent, en toch de deur openhoudt. Hoe zouden jullie dit zien: vraag je op deze leeftijd te veel van vrienden als je samen een nieuw leven wilt beginnen, of moet echte vriendschap juist tegen afstand en verschillende keuzes kunnen?