Ik moest mijn naam inleveren voor de club van mijn beste vriend, en daar ging het mis
“Als jij nou één keer niet zo moeilijk doet, kunnen we hier allebei beter van worden.” Dat zei hij vorige maand tegen mij aan de werkbank, terwijl ik met zwarte handen onder een oude Volvo vandaan kwam. Veertig jaar zijn we bevriend, en ik geloof dat dat de eerste keer was dat ik hem echt weg wilde sturen.
We kennen elkaar sinds begin jaren tachtig. Altijd gedoe gehad met auto’s, brommers, sleutelen, beurzen aflopen in Rosmalen, onderdelen zoeken op Marktplaats, dat soort dingen. Ik ben nooit van het grote gedoe geweest. Ik heb mijn AOW en een klein pensioen, en ik sleutel nog wat bij in mijn werkplaats achter huis. Niet zwart of zo, gewoon een beetje voor bekenden, vooral oldtimers. Daar ben ik tevreden mee.
Hij is anders geworden, of misschien was hij altijd al zo. Groot netwerk, ondernemersvereniging, diners, businessclubs, golfdagen. Prima. Echt. Ik heb daar nooit op neergekeken. Alleen sinds een jaar praat hij steeds vaker over “niveau”, “uitstraling” en “de juiste mensen”.
In het begin vond ik het nog wel grappig toen hij zei: “Wij moeten iets moois opzetten voor liefhebbers van klassieke auto’s, maar dan zonder dat eeuwige koffie-uit-een-plastic-beker-gehalte.” Ik zei nog: “Dus met porseleinen kopjes naast een Opel Kadett?” Hij lachte, maar hij meende het wel.
Hij wilde een exclusieve verzamelclub oprichten in onze regio, voor mensen met geld, ruimte en “een serieuze collectie”. Besloten bijeenkomsten, leden op uitnodiging, ontvangst met cateraar, dresscode business casual. Hij zei: “En jij moet erbij, als technisch adviseur. Jij hebt de kennis. Mensen hangen aan jouw lippen als jij vertelt hoe een carburateur echt afgesteld moet worden.”
Dat klonk natuurlijk mooi. Eerlijk is eerlijk: ik vond het ook strelen. Ik ben niet blind voor erkenning. Misschien is dat ook waar ik fout zat. Ik heb te lang half ja gezegd omdat ik het prettig vond dat hij me zag staan.
Maar al snel begon het te wringen. Eerst appte hij: “Voor de openingsavond graag geen overall maar colbert.” Toen: “Misschien niet meteen over roestplekken beginnen, eerst even algemeen houden.” Daarna: “Noem leden liever bij achternaam.” Ik zei: “Ben ik soms aangenomen als butler?” Hij vond dat ik overdreef.
Tijdens een avond in een landhuis bij Vught ging het voor het eerst echt mis. Ik stond met een glas spa rood in een hoek, veel te warm in zo’n jasje. Een man met zo’n glimmend horloge vroeg aan mij: “En doet u dit hobbymatig of meer aan de onderkant van de markt?” Ik zei: “Ik doe het aan de binnenkant van motorblokken, daar zit meestal het probleem.” Een paar mensen lachten, maar mijn vriend trok me later apart.
“Waarom moet jij altijd prikken?”
“Waarom doet iedereen hier alsof normaal praten verboden is?”
“Omdat dit nou eenmaal een andere omgeving is.”
“Nee,” zei ik, “het is dezelfde omgeving met duurdere schoenen.”
Hij werd rood. “Ik probeer je juist ergens binnen te trekken waar jij al jaren buiten blijft staan.”
Ik zei: “Misschien sta ik daar helemaal niet buiten. Misschien wil ik daar niet in.”
Daarna was het een paar weken stil. Tot hij belde over een Jaguar E-type van een nieuw clublid uit Wassenaar met een serieus probleem aan de versnellingsbak. Mooie opdracht, goed betaald ook. Ik had direct door dat het voor mijn schuur eigenlijk te groot was qua planning, maar ik twijfelde. Mijn energierekening was hoog geweest, en onze dochter had net gevraagd of wij tijdelijk konden bijspringen met opvang voor de kleine omdat de bso minder plek had. Ik kon dat geld best gebruiken.
Dus ik zei: “Laat maar langskomen, dan kijk ik eerst.” Toen kwam de rest.
“Het gaat via de club,” zei hij. “Factuur loopt via ons, presentatie ook. We willen dit neerzetten als een service van de club voor leden.”
Ik zei: “Prima, maar mijn uren en mijn naam gewoon op papier.”
Hij bleef even stil. “Dat is nou net niet de bedoeling. We willen één lijn naar buiten. Dus onder naam van de club. Jij bent dan op de achtergrond onze specialist.”
Ik dacht eerst dat ik hem verkeerd verstond. “Op de achtergrond? Ik ben geen cateringbedrijf. Als ik die bak uit elkaar trek en weer rijdend krijg, dan is dat mijn werk.”
“Ons werk,” zei hij. “Dankzij dit netwerk krijg jij die klus überhaupt.”
Dat schoot bij mij verkeerd. Want ja, dat netwerk was van hem. Maar hij vergat wel even dat die mensen niet kwamen voor zijn visitekaartjes, maar omdat ik het kon maken.
Ik zei: “Dus jij wil dat ik het vuile werk doe en dat de club ermee pronkt?”
“Doe niet zo kleinerend. Het gaat om positionering.”
“Nee, het gaat om mijn naam.”
“Jij hebt altijd zo’n moeite met groeien.”
Daar werd ik kwaad van. En als ik kwaad word, klap ik dicht of ik ga juist te hard. Deze keer het tweede. Ik zei dingen als: “Je schaamt je gewoon voor hoe ik ben” en “Je hebt geen vriend nodig maar een nette monteur als decorstuk.” Dat was niet helemaal eerlijk. Hij schaamt zich denk ik niet voor mij. Hij wil me vooral graag op zijn manier omhoog trekken. Maar op dat moment voelde het wel zo.
Hij zei toen iets wat bleef hangen: “Ik heb veertig jaar geprobeerd jou de waardering te geven die je verdient, maar jij kiest er steeds voor om klein te blijven.”
Dat kwam binnen. Niet omdat het helemaal waar is, maar omdat er iets van waar is. Ik heb kansen laten lopen. Jaren geleden had ik een grotere loods kunnen huren op een bedrijventerrein in Tilburg, maar dat vond ik te spannend. Ik ben niet handig met papierwerk, belastinggedoe, personeel. Mijn partner zei toen ook al dat ik mezelf soms kleiner maak dan nodig is. Dus toen hij dat zei, raakte het precies op een plek waar ik zelf ook twijfel.
Maar toch. Er is verschil tussen bescheiden leven en je naam inleveren.
Ik heb die opdracht geweigerd. Kort en zakelijk. Sindsdien hebben we amper contact. Vorige week kwam ik hem tegen bij een tankstation langs de A2. Hij zei: “Je had dit slimmer kunnen spelen.” Ik zei: “En jij had kunnen vragen wat ik nodig had in plaats van te vertellen wie ik moest worden.” Toen keek hij weg en zei alleen: “Jammer dit.”
Het stomme is: ik mis hem. Niet die clubversie van hem, maar die jongen die vroeger met een roestige Peugeot 404 op een aanhanger stond en om half elf ’s avonds nog zei: “We drinken nog één koffie en dan demonteren we die kop eraf.” Ik geloof ook best dat hij dacht dat hij me hielp. En ik weet van mezelf dat ik soms meteen in de weerstand schiet zodra iemand aan mijn manier van doen komt.
Maar voor mij was dit niet zomaar een klus. Als ik mijn eigen naam niet meer onder mijn werk mag zetten omdat dat niet chic genoeg staat, waar houdt het dan op?
Ben ik nou te koppig geweest en had ik dit gewoon als zakelijke kans moeten zien, of ging hij hier echt over mijn grens heen?