Jarenlang regelde ik elke vakantie voor onze vriendengroep, tot ik na mijn pensioen ineens niet meer wilde — en nu vinden ze me egoïstisch

‘Dus jij laat het nu gewoon klappen?’ zei Kees vanuit de keuken, terwijl hij de waterkoker uitzette alsof dat gesprek daarmee ook uitgezet kon worden. Ik stond met mijn telefoon in mijn hand en keek naar het scherm. In onze vriendengroep-app stonden alweer drie berichten over ‘de vakantie voor volgend jaar’. Alsof het al besloten was dat ik dat weer zou regelen. Mijn maag trok samen. Ik was net drie maanden met pensioen en voor het eerst in jaren voelde ik heel duidelijk: ik wil dit niet meer.

Al ruim dertig jaar gingen we met dezelfde club naar Frankrijk. Eerst met kinderen, later zonder. Een huis met zwembad, grote tafel buiten, markt op woensdag, een wijndomein in de buurt, één avond zelf koken, één avond uit eten. Gezellig, vertrouwd, bijna ritueel. En ik deed alles. Ik zocht de accommodatie uit, hield rekening met wie slecht ter been was, wie per se een eigen badkamer wilde, wie geen trappen kon lopen, wie glutenvrij at, wie alleen in het weekend kon aansluiten. Ik maakte spreadsheets, belde verhuurders, stuurde betaalverzoeken, zocht restaurants, plande uitstapjes. Iedereen zei altijd: ‘Marjan, jij kunt dat zo goed.’ En ik glimlachte dan, maar ik was elk jaar kapot voordat we überhaupt in de auto zaten.

Toen ik nog werkte in de administratie van een middelbare school, dacht ik steeds: als ik eenmaal met pensioen ben, wil ik vrijheid. Niet meer lijstjes, niet meer achter mensen aan, niet meer verantwoordelijk zijn voor de gezelligheid van anderen. Gewoon een keer wakker worden op vakantie en pas dan bedenken of we naar de markt gaan of op een terras gaan zitten.

Dus ik zei tegen Kees: ‘Ik laat niks klappen. Ik stop alleen met trekken.’

Hij zuchtte. ‘Maar zonder jou gebeurt er niks. Dat weet je toch? En dan zijn wij straks degene die moeilijk doen.’

Dat kwam binnen, juist omdat ik wist dat hij niet helemaal ongelijk had. Kees vindt die groep belangrijk. De mannen kennen elkaar nog van vroeger, voetbal, verjaardagen, klussen, later de kleinkinderen erbij. Hij is niet zo van het regelen, maar wel van de tradities. Voor hem staat die vakantie voor iets groters: erbij horen.

Een week later zaten we bij Henk en Laura in de tuin in Amersfoort. Witte wijn, blokjes kaas, alsof het een gewone zomeravond was. Ik had me voorgenomen rustig te blijven.

‘Ik wilde iets zeggen over volgend jaar,’ begon ik. ‘Ik ga de vakantie niet meer organiseren. Ik wil nog best mee, maar alleen als we het samen doen. Iedereen kan een stukje oppakken.’

Het bleef even stil. Laura trok haar wenkbrauwen op. ‘Hoe bedoel je, een stukje?’

‘Nou,’ zei ik, ‘de één zoekt een huis, de ander regelt de restaurantreserveringen, iemand anders maakt een dagplanning of houdt de betalingen bij. Gewoon verdelen.’

Henk lachte kort. ‘Marjan, dat is nou juist waarom jij het doet. Jij bent daar goed in.’

‘Dat klopt,’ zei ik, ‘maar ik wil het niet meer alleen doen.’

Toen kwam het woord waar ik nog steeds buikpijn van krijg als ik eraan denk. Laura zei: ‘Ik vind het eerlijk gezegd een beetje egoïstisch. Je hebt nu juist meer tijd dan ooit.’

Alsof mijn pensioen een publieke voorziening was geworden.

Ik voelde mijn gezicht warm worden. ‘Meer tijd betekent niet dat ik beschikbaar ben voor alles wat anderen niet willen doen.’

Kees schoof onrustig op zijn stoel. ‘Zo bedoelt Laura het niet,’ zei hij snel.

‘Nou, een beetje wel,’ zei ik.

Peter, normaal de vredestichter van de groep, probeerde het luchtig te houden. ‘Ja maar, als iedereen zich ermee gaat bemoeien, krijgen we twintig meningen en geen vakantie. Dat verpest toch de sfeer?’

Ik hoorde mezelf ineens veel scherper praten dan ik van plan was. ‘De sfeer wordt al jaren gered doordat ik thuis in januari al stress heb over jullie vakantie in juni.’

Daarna werd het ongemakkelijk. Je kent dat wel, dat mensen naar hun glas kijken of net doen alsof de barbecue heel interessant is. Op de terugweg zei Kees nauwelijks iets. Pas bij Hoevelaken, in de file, kwam het eruit.

‘Je had het ook wat handiger kunnen brengen.’

Ik keek naar buiten. ‘Ik heb dit al twee jaar voorzichtig geprobeerd te zeggen.’

‘Ja, maar zo hard… nu lijkt het alsof je er helemaal klaar mee bent.’

‘Misschien ben ik dat ook wel een beetje.’

Dat vond hij het ergst om te horen. Niet omdat hij mij niet begreep, denk ik, maar omdat hij bang was dat er iets zou verschuiven wat altijd vast had gestaan.

In de weken daarna bleef de appgroep stil op een verkeerde manier. Niet ontspannen stil, maar geladen stil. Tot er ineens een bericht kwam van Sandra: ‘Marjan, heb jij al iets leuks gezien in de Dordogne? Anders wordt het wel laat met boeken.’ Ik heb tien minuten naar dat bericht gekeken. Vroeger was ik dan meteen gaan zoeken. Nu heb ik teruggestuurd: ‘Nee, ik zoek niets uit. Als iemand een huis wil voorstellen, kijk ik graag mee.’

Er kwamen drie duimpjes en verder niets.

Uiteindelijk heeft niemand iets geregeld. Geen huis, geen datum, geen plan. Kees liep daar weken sip over rond. Op een avond zei hij: ‘Straks verwatert het gewoon. En dan?’

Ik zei: ‘Als een vriendschap alleen blijft bestaan zolang ik gratis projectleider ben, wat is die vriendschap dan eigenlijk waard?’

Dat was hard, ook voor mezelf. Want het deed me wel degelijk pijn. Deze mensen hebben ook naast die vakanties veel voor ons betekend. We hebben geboortes gevierd, ouders begraven, op elkaars kinderen gepast, elkaar geholpen na operaties en scheidingen. Het is niet niks. Maar juist daarom snapte ik zo slecht dat niemand wilde zien dat ik op was in die rol.

Een maand later zijn Kees en ik samen een midweek naar Zeeland gegaan. Geen schema, geen groepsapp, geen rekeningoverzichten. Op de tweede dag zaten we in Domburg op een terras en zei hij ineens: ‘Je bent veel rustiger zo.’

Ik moest lachen. ‘Dat probeerde ik je al die tijd uit te leggen.’

Hij knikte en keek naar zijn koffie. ‘Ik was vooral bang dat we buiten de groep zouden vallen.’

‘Misschien gebeurt dat ook wel een beetje,’ zei ik. ‘Maar ik wil niet binnen de groep blijven ten koste van mezelf.’

Dit jaar is er geen Frankrijkreis gekomen. Een paar stellen zijn los van elkaar weggegaan. De appgroep leeft nog, maar anders. Minder vanzelfsprekend. Soms doet dat me verdriet. Soms voelt het ook als opluchting. Ik merk nu pas hoeveel van mijn “handigheid” eigenlijk gewoon gewoonte was geworden, en hoe snel gewoonte door anderen als plicht wordt gezien.

Ik leer dat je zelfs na dertig jaar nog een rol mag neerleggen die niet meer bij je past, ook al snappen anderen dat niet meteen. Maar ik vraag me wel af: had ik dit eerder en zachter moeten doen, of mag je op een gegeven moment gewoon zeggen: tot hier en niet verder? Wat zouden jullie hebben gedaan?