Na veertig jaar vaste diners zette ik onze vriendengroep onder druk met iets waar ik niet langer over kon zwijgen
‘Doe het nou niet, Els. Alsjeblieft niet vanavond.’
Hans stond bij de kapstok met zijn autosleutels in zijn hand, zijn jas al aan, en ik voelde aan alles dat hij niet zomaar gespannen was. Hij was bang. Niet voor ruzie in de grote zin van het woord, maar voor dat andere, typisch Nederlandse onheil: de sfeer die kapotgaat en nooit meer helemaal terugkomt. Ik had mijn oorbellen nog niet in en stond met één schoen aan in de hal alsof ik zelf ook nog kon doen alsof dit gesprek niet echt plaatsvond.
‘Wat is “het” precies?’ vroeg ik, al wist ik het best.
‘Je weet precies wat ik bedoel. Niet weer die discussies. Niet vanavond bij Kees en Marjan. We hebben dit al veertig jaar, Els.’
Dat getal hing tussen ons in als iets heiligs. Veertig jaar. Eerst met kleine kinderen die bij opa en oma werden gedropt, later met pubers die mopten als we weer “naar die etentjes” moesten, en nu met kleinkinderen en kunstknieën en gesprekken over camperroutes, zonnepanelen en wie er nog naar Toscane was geweest buiten het hoogseizoen.
Ik zei: ‘Misschien is juist dát het probleem, Hans. Dat we al veertig jaar doen alsof we allemaal hetzelfde zijn gebleven.’
Hij zuchtte meteen op die manier die me nog bozer maakte. Niet hard, meer moe. ‘Nee. Het probleem is dat jij van een gezellige avond een debatavond wilt maken.’
Sinds een klein jaar was er bij mij iets verschoven. Begonnen met een lezing in het buurthuis, daarna een appgroep, toen acties, gesprekken, avonden in zaaltjes in Utrecht en Amersfoort. Thema’s waar ik vroeger eerlijk gezegd omheen liep, omdat ik dacht: laat de jeugd dat maar doen. Maar ineens dacht ik steeds aan onze kleinkinderen. Aan wat voor land, wat voor wereld we normaal zijn gaan vinden zolang het ons eigen leven maar niet te veel opschudde.
Ik was niet radicaal geworden in de zin van schreeuwen op straat of mensen veroordelen. Ik was juist wakkerder geworden. Alleen voelde dat voor Hans en een deel van onze vrienden als verraad aan de ongeschreven afspraak: bij het diner houden we het licht.
Bij Kees en Marjan stond de tafel zoals altijd prachtig gedekt. Linnen servetten, kaarsjes, stoofpot in de keuken, een fles Primitivo die Kees al open had. Marjan kuste me op mijn wang en zei: ‘Wat zie je er goed uit, Els.’ Dat deed bijna pijn, alsof ik in een toneelstuk stapte waarin mijn tekst al vastlag.
De eerste twintig minuten gingen precies zoals altijd. Frankrijk. De verbouwing van de badkamer van Joop en Anita. Een kleindochter die was geslaagd. Iedereen praatte door elkaar, er werd gelachen. En ik merkte dat ik me van binnen steeds verder terugtrok.
Op een gegeven moment zei Anita: ‘Wij gaan in september weer naar de Dordogne, als het allemaal een beetje rustig blijft in de wereld, haha.’
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Maar dat is toch precies het punt? Dat wij hopen dat het rustig blijft voor óns, terwijl we nergens echt naar willen kijken?’
Het werd niet stil op een dramatische manier. Eerder zo’n aarzelende stilte waarin mensen nog denken dat het misschien een grapje was.
Kees pakte zijn glas. ‘Nou, waar wil je naartoe, Els?’
Hans keek me niet aan. Dat vond ik nog het ergst.
Ik zei dat ik het moeilijk vond om elke maand urenlang gezellig te praten terwijl er buiten onze kleine kring zulke grote dingen speelden. Dat ik niet begreep waarom we alles wat schuurt meteen bestempelden als “niet voor aan tafel”. Dat onze kleinkinderen later misschien best mogen vragen waar wij eigenlijk voor stonden, behalve voor goede wijn en een nette tuin.
Marjan zei voorzichtig: ‘Maar we hoeven hier toch niet overal hetzelfde over te denken?’
‘Nee,’ zei ik, ‘maar we hoeven ook niet te doen alsof het er niet toe doet.’
Toen kwam het los. Niet eens heel fel, eerder pijnlijk eerlijk. Joop vond dat hij zich niet hoefde te verantwoorden voor een leven lang hard werken en “gewoon normaal doen”. Anita zei dat ze de wereld heus belangrijk vond, maar dat ze deze avonden als rustpunt zag. Marjan gaf toe dat ze sommige dingen die ik zei eigenlijk wel herkende, maar dat ze doodmoe werd van de toon van publieke discussies. En Kees zei recht voor z’n raap: ‘Ik heb geen zin om door mijn eigen vrienden getest te worden op deugdzaamheid.’
Hans legde toen eindelijk zijn vork neer. ‘Dit bedoelde ik dus,’ zei hij. ‘We hebben hier iets heel kostbaars opgebouwd. Waarom moet dat ineens een podium worden?’
Ik voelde me rood worden. ‘Omdat ik niet meer wil doen alsof een groot deel van mijn leven niet bestaat zodra we hier binnenstappen.’
Hij zei zacht, en dat kwam harder aan dan wanneer hij had geroepen: ‘Maar je vraagt eigenlijk of wij allemaal mee moeten in jouw verandering.’
Daar had hij misschien gelijk in. Of in elk geval een beetje. Dat was het irritante. Ik wilde geen applaus of bekering, maar ik wilde ook niet langer mijn mond houden zodat iedereen comfortabel bleef. Tegelijk zag ik aan Marjan dat ze zich in haar eigen huis ongemakkelijk voelde, en aan Hans dat hij niet alleen bang was voor vanavond, maar voor het afbrokkelen van iets wat hem al zijn hele volwassen leven houvast gaf.
De avond is niet geëxplodeerd. Er werd nog gegeten. Er kwam zelfs nog dessert. Zo gaat dat vaak in Nederland: de spanning blijft keurig op tafel zitten tussen de schaaltjes en de koffie. Maar het was anders. Eerlijker ook, al was het niet gezellig.
In de auto terug zei Hans eerst niets. Bij het stoplicht in Soest zei hij: ‘Ik herken je soms niet meer.’
Ik antwoordde: ‘Ik begin mezelf juist voor het eerst in jaren weer een beetje te herkennen.’
Thuis hebben we nog lang in de keuken gezeten. Niet als winnaars of verliezers. Gewoon twee mensen van midden zestig die allebei iets proberen te behouden wat waardevol is: hij de veiligheid van oude vriendschappen, ik het gevoel dat ik niet meer half leef.
De weken erna kwam er gedoe in de appgroep, natuurlijk. Een paar vonden dat ik de avond had gekaapt. Eén vriendin stuurde me apart dat ze blij was dat er eindelijk iets echts gezegd was. Marjan stelde voor om de volgende keer vooraf af te spreken dat er best serieuze onderwerpen mogen zijn, maar niet als missie en niet de hele avond. Dat vond ik eerst laf klinken. Nu denk ik: misschien is samenleven vaker schipperen dan strijden.
Ik weet nog steeds niet of ik gelijk had. Wel weet ik dat harmonie soms gewoon stilte met goede manieren is, en dat authenticiteit ook hard kan binnenkomen bij mensen die je lief zijn. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: moet je in oude vriendschappen de vrede bewaren, of juist durven zeggen wat er echt in je leeft?