Ik trok aan de rem toen onze beste vrienden vroegen of wij onze zomervakantie wilden opofferen voor hun zorg
“Dus jullie gaan gewoon op vakantie terwijl wij hier zitten te kijken hoe we het redden?”
Die kwam binnen. Gewoon bij ons aan de keukentafel, met de koffie nog niet eens op. Mijn man legde meteen zijn lepel neer en zei: “Zo moet je het niet brengen. Maar ja, wij wilden in juli wel twee weken weg.” Ik voelde direct de spanning, want ik wist al dat dit gesprek mis zou gaan.
Wij kennen hen al ruim dertig jaar. Altijd open huis, sleutel van elkaar, spontane etentjes, helpen met klussen, op elkaars kinderen passen vroeger, dat werk. Nooit gedoe over wie wat deed. Als er iets was, dan deed je het gewoon.
Tot vorig jaar alles begon te schuiven. Bij hem werd een chronische ziekte vastgesteld. Geen tijdelijk iets, maar echt iets wat het dagelijks leven kleiner maakt. Eerst dachten we: natuurlijk springen we bij. Boodschappen meenemen van Albert Heijn, even rijden naar het ziekenhuis, medicijnen ophalen bij de apotheek, een keer mee naar een gesprek in het ziekenhuis omdat alles zo snel ging.
Dat voelde heel normaal. Alleen bleef het daar niet bij.
Langzaam werd het: “Kun jij morgen ook even?” en “Zouden jullie de post kunnen uitzoeken?” en “Mijn DigiD doet het niet, wil je meekijken?” en “Kun je de zorgverzekeraar bellen, want ik kom er niet uit?” Mijn man bracht hem naar het ziekenhuis in de stad, soms twee keer per week. Ik zat met zijn vrouw aan de eettafel de administratie door te nemen, formulieren voor de Wmo, declaraties, mails van de gemeente, gedoe met hulpmiddelen. Dan nog snel langs de Lidl, dan weer naar de thuiszorgwinkel.
Ik moet ook eerlijk zijn: ik heb dit zelf mede zo laten worden. Ik zei vaak: “App maar hoor, als er iets is.” En dat meende ik ook. Ik vond dat je na zoveel jaar niet gaat zitten tellen. Mijn man waarschuwde eerder dan ik. Die zei al maanden: “We helpen nu niet meer af en toe, we draaien mee in hun huishouden.” Ik vond dat hard. Ik zei: “Als ons dit overkwam, zouden wij toch ook hopen dat iemand er was?”
Hij zei dan: “Ja, maar iemand is iets anders dan elke dag.”
Daar kreeg ik irritatie van. Ik vond hem afstandelijk worden. Hij vond mij grenzeloos.
De ommekeer kwam niet eens door één groot drama, maar door allemaal kleine dingen. Dat er op zondag om half negen werd gebeld of we brood wilden brengen omdat bestellen was misgegaan. Dat mijn man zijn eigen controle in het ziekenhuis verplaatste omdat hij die ander moest rijden. Dat wij een avondje uit afzegden omdat er weer iets was met een recept. Dat ik op mijn werk in de thuiszorg al de hele dag voor anderen klaarsta en daarna ook nog naar hen ging, en thuis kortaf werd.
Op een avond zei mijn man: “Ik ben moe van andermans planning.” Ik beet hem toe: “Het gaat wel om mensen van wie we houden.” Toen zei hij: “En van ons dan?”
Daar had ik op dat moment geen goed antwoord op.
Vorige maand werd het nog ingewikkelder. Hun dochter woont niet naast de deur en werkt fulltime. Hun zoon is er wel, maar die relatie is stroef. Dat wisten wij al jaren, maar ik had mezelf blijkbaar wijsgemaakt dat het uiteindelijk wel opgelost zou worden als het serieus werd. Niet dus. Er is wel familie, maar die doet weinig, of durft niet, of krijgt meteen commentaar als iets anders loopt dan zij willen. Dat zei mijn man tenminste. Ik verdedigde hen steeds: “Ze zitten ook in een rotsituatie.”
Toen zei hij: “Dat zal best, maar daardoor schuift alles naar ons.”
En daar had hij gelijk in, al wilde ik dat lang niet toegeven.
We hebben ook fouten gemaakt in hoe open die vriendschap altijd was. Wij liepen vroeger zonder afspraak bij elkaar binnen. Hartstikke gezellig, maar daardoor is de grens tussen vriend zijn en verantwoordelijk zijn heel vaag geworden. Als je dertig jaar alles deelt, voelt nee zeggen bijna als verraad.
De echte klap kwam toen ze vroegen wat wij in de zomer deden. Ik zei nog luchtig dat we waarschijnlijk naar Zeeland wilden, gewoon een huisje, even eruit. Toen bleef het stil. Daarna zei zijn vrouw: “Oh. Wij dachten eigenlijk dat jullie in de zomer wat extra zouden kunnen doen, omdat de vaste hulp dan overal onderbezet is.”
Mijn man zei meteen: “Wacht even, extra? Wat bedoel je precies?”
Nou, dat bleek dus: vaker rijden, wat langer blijven, helpen met wassen en aankleden als het nodig werd, boodschappen, medicijnen, administratie, en stand-by zijn als er iets misging.
Ik voelde zelf ook wel dat dat geen kleine vraag meer was. Maar ik zei toch: “We kunnen vast wel iets schuiven.” Mijn man keek me echt aan van: meen je dit nou?
Hij zei heel rustig: “Nee. Dit kunnen wij niet toezeggen. Jullie hebben meer professionele hulp nodig. Via de huisarts, wijkverpleging, Wmo, desnoods een casemanager.”
Daarop kwam dus die zin: “Dus jullie laten ons gewoon zitten?”
Ik schaamde me, terwijl ik ook boos werd. Boos op mijn man omdat hij zo direct was waar zij bij zaten. Maar ook boos op hen, omdat het klonk alsof alles wat we al een jaar deden ineens niks meer waard was.
Mijn man zei: “Dat is niet eerlijk. We laten jullie niet zitten. Maar we kunnen niet jullie zorgsysteem worden.”
Zijn vrouw begon te huilen en zei: “Van jullie had ik dit niet verwacht.”
En ik? Ik deed wat ik vaker doe als het moeilijk wordt: ik probeerde te sussen en maakte het erger. Ik zei: “Misschien bedoelt hij het wat botter dan nodig is.” Daar trapte mijn man natuurlijk niet in. Die zei later thuis: “Dank je wel. Gooi mij maar weer voor de bus.”
Ook daar had hij gelijk in. Ik wilde iedereen te vriend houden en zei tegen beide kanten net iets anders. Tegen hen: “We vinden wel een oplossing.” Tegen hem: “Je hebt gelijk, het moet minder.” Dat werkte dus totaal niet.
Sinds dat gesprek is het ongemakkelijk. Er wordt nog wel geappt, maar anders. Korter. Voorzichtiger. Gisteren vroeg zijn vrouw of ik kon helpen met een formulier voor het CAK. Ik heb ja gezegd, maar er meteen bij gezet dat we ook echt met de huisarts en wijkverpleging naar structurele hulp moeten kijken. Daarop kreeg ik terug: “We dachten dat vrienden juist voor de moeilijke fase waren.”
Die zin bleef hangen. Want dat vind ik ergens ook. Alleen weet ik inmiddels ook dat moeilijke fase iets anders is dan elke dag beschikbaar moeten zijn. Mijn man zegt dat dit geen harteloosheid is maar zelfbescherming. Ik snap hem nu beter dan eerst, al voelt het nog steeds alsof ik iemand in de steek laat.
Ik ben benieuwd hoe anderen dit zien. Waar ligt volgens jullie de grens tussen echte vriendschap en mantelzorg waar je niet vanzelf in moet belanden?