‘Mam je nu echt mijn dochter achtergelaten?’ – Een moederhart in tweestrijd
‘Je laat me toch niet zomaar zitten, Anouk? Je komt toch terug?’ Mijn stem trilt terwijl ik de woorden hardop uitspreek, maar het enige antwoord is de stilte in ons kleine rijtjeshuis in Amersfoort. Op tafel ligt het briefje, haar handschrift haastig en slordig, alsof ze bang was dat ik elk moment binnen zou komen.
‘Mam, ik kan niet meer. Ik moet weg. Zorg alsjeblieft voor Lotte. Ik weet niet wanneer ik terugkom. – Anouk’
Mijn vingers klemmen zich om het papier. Mijn keel voelt droog, mijn hart bonkt in mijn borst. Lotte, mijn kleindochter van vijf, slaapt boven. Ze weet van niets. Ik hoor haar zachte ademhaling door de babyfoon. Hoe moet ik haar straks uitleggen dat haar moeder weg is?
Mijn gedachten razen. Anouk en ik hebben altijd een moeilijke relatie gehad. Ze was vijftien toen haar vader vertrok. Sindsdien was het alsof er een muur tussen ons stond. Elke keer als ik probeerde haar te bereiken, sloeg ze dicht. ‘Jij snapt me toch niet, mam!’ riep ze dan, haar ogen vol woede en verdriet. En nu dit.
Ik loop naar het raam en kijk naar buiten. De regen tikt tegen het glas. Mijn handen trillen. Ik probeer mezelf tot rust te manen. ‘Ze komt wel terug,’ fluister ik. ‘Ze heeft gewoon tijd nodig.’ Maar diep vanbinnen knaagt de angst. Wat als ze niet terugkomt? Wat als ik Lotte alleen moet opvoeden?
Mijn telefoon trilt. Een appje van mijn zus, Marijke: ‘Hoe gaat het met jullie? Alles goed met Anouk?’
Ik twijfel. Moet ik het vertellen? Of houd ik het voor mezelf, uit schaamte? Uiteindelijk typ ik: ‘Anouk is weg. Ze heeft Lotte bij mij achtergelaten. Ik weet niet wat ik moet doen.’
Binnen een paar minuten belt Marijke. ‘Val, wat is er gebeurd? Heb je haar gesproken?’
‘Nee,’ snik ik. ‘Ze heeft alleen een briefje achtergelaten. Ik snap het niet, Marijke. Waar is ze heen? Waarom doet ze dit?’
‘Misschien heeft ze het gewoon even nodig om tot zichzelf te komen,’ zegt Marijke voorzichtig. ‘Je weet hoe moeilijk ze het heeft gehad de laatste tijd. Met haar werk, met Lotte, met alles…’
‘Maar je laat je kind toch niet zomaar achter?’ Mijn stem breekt. ‘Wat moet ik nou zeggen tegen Lotte? Ze vraagt elke ochtend naar haar moeder.’
Marijke zwijgt even. ‘Misschien moet je eerlijk zijn. Zeg dat Anouk even weg is, maar dat ze van haar houdt. Meer kun je niet doen.’
Ik knik, ook al kan ze dat niet zien. ‘Dank je, Marijke. Ik bel je later terug.’
Als ik ophang, hoor ik voetstapjes op de trap. Lotte staat in haar pyjama in de deuropening, haar knuffelkonijn tegen zich aangedrukt. ‘Oma, waar is mama?’
Mijn hart breekt. Ik ga op mijn knieën en trek haar tegen me aan. ‘Mama is even weg, lieverd. Maar ze houdt heel veel van jou. En ik ook.’
Ze kijkt me aan met grote, blauwe ogen. ‘Komt ze snel terug?’
‘Ik hoop het, schatje. Ik hoop het.’
De dagen die volgen zijn zwaar. Lotte vraagt elke dag naar haar moeder. Ik probeer haar af te leiden met spelletjes, koekjes bakken, samen naar de speeltuin. Maar elke avond, als ik haar instop, kijkt ze me aan en vraagt: ‘Oma, is mama morgen weer thuis?’
Ik slaap slecht. Steeds weer lees ik het briefje van Anouk. Ik probeer haar te bellen, te appen, maar haar telefoon staat uit. Haar vriendinnen weten ook van niets. Op een avond, als Lotte eindelijk slaapt, zit ik aan de keukentafel met een glas wijn. De stilte in huis is oorverdovend. Ik denk terug aan vroeger, aan de tijd dat Anouk nog klein was. Hoe ze altijd naar me toe kwam als ze bang was, hoe ze haar handje in de mijne legde. Waar is het misgegaan?
De volgende ochtend staat de buurvrouw, Ingrid, voor de deur. ‘Ik hoorde dat Anouk weg is,’ zegt ze zacht. ‘Als ik iets kan doen, laat het weten.’
Ik knik dankbaar. ‘Dank je, Ingrid. Het is gewoon zo moeilijk. Ik weet niet of ik het goed doe. Lotte verdient beter.’
‘Je doet wat je kunt,’ zegt Ingrid. ‘En dat is genoeg.’
Toch voel ik me schuldig. Had ik meer moeten doen? Had ik Anouk beter moeten begrijpen? Misschien had ik haar meer moeten steunen, minder moeten oordelen. Maar het is te laat voor spijt.
Op een avond, als ik Lotte voorlees, zegt ze ineens: ‘Oma, ik heb mama gezien in mijn droom. Ze zei dat ze van me houdt en dat ze terugkomt.’
Ik slik. ‘Dat is een mooie droom, lieverd. Mama houdt heel veel van jou.’
Die nacht lig ik wakker. Ik denk aan alle ruzies die ik met Anouk heb gehad. Aan de dingen die ik gezegd heb in boosheid. ‘Je bent net als je vader!’ had ik ooit geroepen. Ik schaam me diep. Misschien heeft ze daarom wel het gevoel dat ze hier niet welkom is.
Een week later krijg ik een kaartje. Geen afzender, alleen een poststempel uit Rotterdam. ‘Mam, maak je geen zorgen. Ik heb tijd nodig om alles op een rijtje te zetten. Geef Lotte een kus van mij. Ik hou van jullie. – Anouk’
Ik huil. Van opluchting, van verdriet, van alles tegelijk. Ik weet niet hoe lang het nog duurt voordat ze terugkomt. Maar ik weet nu dat ze leeft, dat ze aan ons denkt.
De weken worden maanden. Lotte went aan het leven met mij. Ze gaat naar school, maakt vriendjes. Maar elke keer als ze een moeder met haar kind ziet, zie ik het verlangen in haar ogen. Soms huilt ze stilletjes in haar bed. Dan kruip ik naast haar en hou haar vast. ‘We komen hier samen doorheen, lieverd,’ fluister ik.
Soms voel ik woede opborrelen. Hoe kan Anouk haar dochter zo achterlaten? Maar dan denk ik aan haar worstelingen, haar depressie, haar eenzaamheid. Misschien had ik haar meer moeten steunen, haar meer moeten laten voelen dat ze goed genoeg was.
Op een dag, als ik Lotte ophaal van school, zie ik haar ineens staan. Anouk. Ze is magerder, haar ogen staan dof, maar het is haar. Lotte rent op haar af. ‘Mama!’
Anouk zakt door haar knieën en slaat haar armen om haar dochter heen. Ze huilt. Ik sta erbij, mijn hart bonkt in mijn keel. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Woede, opluchting, verdriet – alles tegelijk.
‘Mam,’ zegt Anouk zacht. ‘Het spijt me. Ik kon het gewoon niet meer. Maar ik wil het goedmaken. Mag ik thuis komen?’
Ik slik. ‘Natuurlijk, Anouk. Je bent altijd welkom.’
We lopen samen naar huis. Lotte tussen ons in, haar handjes in de onze. Het zal tijd kosten om alles te helen. Maar we zijn samen. En misschien is dat genoeg.
Soms vraag ik me af: hoeveel pijn kan een moederhart verdragen? En wat zou jij doen als je dochter je zo achterlaat? Zou je haar kunnen vergeven?