Terugkeer naar een vreemd thuis: Mijn eerste dag in mijn eigen appartement in Rotterdam

‘Dus je denkt echt dat je het alleen aankan, Iris?’ De stem van mijn moeder galmde nog na in mijn hoofd terwijl ik de deur van mijn nieuwe appartement in Rotterdam achter me dichttrok. Mijn handen trilden een beetje, niet alleen van de opwinding, maar ook van de spanning die zich de afgelopen weken had opgebouwd. ‘Je weet niet eens hoe je een wasmachine aansluit, laat staan dat je je eigen rekeningen betaalt!’ had ze geroepen, haar stem overslaand van woede en bezorgdheid. Ik had niets teruggezegd, alleen mijn koffers gepakt en haar blik ontweken.

Nu stond ik hier, in een kleine, maar lichte woonkamer met uitzicht op de Maas. Mijn eigen plek. Geen gedeelde studentenkamer meer, geen bemoeizuchtige huisgenoten die mijn yoghurt opaten of mijn sokken uit de wasmand haalden. Alleen ik, en de stilte. Ik liet mezelf op de bank vallen – een tweedehandsje van Marktplaats, met een vlek die ik er niet uit kreeg – en voelde de spanning langzaam uit mijn schouders glijden. Maar de stilte was niet geruststellend. Het was een andere stilte dan thuis, waar altijd het geluid van de televisie, de tikkende klok en het gerommel in de keuken op de achtergrond aanwezig waren. Hier hoorde ik alleen het zachte gezoem van de koelkast en het verre geluid van een tram.

Mijn telefoon trilde. Een appje van mijn broer, Daan: ‘Mam is nog steeds boos. Maar ik ben trots op je, zusje. Je kan dit.’ Ik glimlachte flauwtjes. Daan was altijd mijn bondgenoot geweest, degene die me stiekem leerde fietsen toen ik zes was en die me hielp met mijn huiswerk als ik het niet meer zag zitten. Maar zelfs hij had getwijfeld of ik deze stap wel moest zetten. ‘Het is niet niks, Iris. Je weet hoe mam is. Ze bedoelt het goed, maar ze kan niet loslaten.’

Ik stond op en liep naar de keuken. De kastjes waren nog leeg, op een pak crackers en een pot pindakaas na. Mijn moeder had me een doos met eten willen meegeven, maar ik had geweigerd. ‘Ik red me wel, mam. Echt.’ Ze had haar lippen op elkaar geperst en haar hoofd geschud. ‘Je bent koppig, net als je vader.’

Mijn vader. Sinds zijn dood was alles anders geworden. Mijn moeder was veranderd in een controlerende, angstige vrouw die alles wilde regelen. Ze was bang dat ze mij ook zou kwijtraken, dat wist ik wel. Maar haar liefde voelde als een strop om mijn nek. Ik wilde ademen, leven, mijn eigen fouten maken. Maar nu, in deze lege keuken, voelde ik me ineens klein en verloren.

De eerste nacht in mijn appartement was onrustig. Ik lag in mijn nieuwe bed – een matras op de grond, want het bedframe moest nog geleverd worden – en luisterde naar de geluiden van de stad. Sirenes, lachende mensen op straat, het geratel van een fiets over de kasseien. Ik dacht aan thuis, aan de geur van appeltaart op zondag, aan de ruzies om niks, aan de stilte na het overlijden van papa. Ik dacht aan de keren dat ik mijn moeder hoorde huilen achter de gesloten deur van haar slaapkamer. En aan de keren dat ik haar wilde troosten, maar niet wist hoe.

De volgende ochtend werd ik wakker van het zonlicht dat door het raam viel. Ik voelde me licht, bijna gelukkig. Ik zette koffie – instant, want een koffiezetapparaat had ik nog niet – en ging op het balkon staan. De stad ontwaakte langzaam. Ik zag mensen met boodschappentassen, een vrouw die haar hond uitliet, een jongen op een skateboard. Ik hoorde het geluid van een kerkklok in de verte. Voor het eerst voelde ik me deel van iets groters, een stad vol mensen met hun eigen verhalen, hun eigen zorgen.

Mijn moeder belde om elf uur. Ik aarzelde, maar nam toch op. ‘Hoe gaat het, meisje?’ Haar stem klonk zachter dan ik had verwacht. ‘Goed, mam. Ik heb net koffie gezet en ik ga zo naar de markt.’
‘Weet je wel waar die is?’
‘Ja, mam. Ik heb het opgezocht.’
Ze zuchtte. ‘Ik maak me gewoon zorgen. Het is zo stil in huis zonder jou. Daan is er ook nooit meer.’
‘Misschien moet je eens iets voor jezelf gaan doen, mam. Een cursus, of vrijwilligerswerk.’
Ze lachte schamper. ‘Jij met je goede raad. Je bent nog maar net uit huis en je denkt dat je alles weet.’
‘Nee, mam. Maar ik wil gewoon dat je gelukkig bent. En ik wil dat voor mezelf ook proberen.’
Er viel een stilte. Ik hoorde haar ademhalen aan de andere kant van de lijn. ‘Ik mis je, Iris.’
‘Ik jou ook, mam.’

Na het gesprek voelde ik me opgelucht, maar ook schuldig. Alsof ik haar in de steek had gelaten. Maar ik wist dat ik deze stap moest zetten, voor mezelf. Op de markt kocht ik verse bloemen en een stuk kaas. De bloemen zette ik in een lege wijnfles op tafel. Het voelde als een ritueel, een manier om mijn nieuwe leven te vieren.

De dagen daarna vulden zich langzaam met kleine routines. Ik leerde hoe ik de wasmachine moest aansluiten – met hulp van een YouTube-filmpje en een paar vloeken. Ik maakte kennis met mijn buurvrouw, mevrouw Van Dijk, een weduwe van in de zeventig die me uitnodigde voor koffie. ‘Het is niet makkelijk, zo op jezelf,’ zei ze, terwijl ze een koekje op mijn schoteltje legde. ‘Maar je went eraan. En je leert jezelf kennen.’

Toch waren er ook moeilijke momenten. Op een avond, toen ik thuiskwam van mijn bijbaan in de supermarkt, vond ik een briefje onder mijn deur. ‘Te veel lawaai na 22:00. Graag rekening houden met de buren.’ Mijn hart sloeg over. Had ik te hard muziek aangezet? Of was het mijn gelach met een vriendin die op bezoek was geweest? Ik voelde me ineens weer dat kleine meisje dat op haar tenen moest lopen om niemand tot last te zijn. Ik belde Daan. ‘Maak je niet druk, Iris. Sommige mensen klagen altijd. Je doet het goed.’

Maar de onzekerheid bleef knagen. Was ik wel geschikt om op mezelf te wonen? Was ik niet te jong, te onhandig, te naïef? Soms betrapte ik mezelf erop dat ik mijn moeder wilde bellen om te vragen hoe ik een vlek uit mijn trui kreeg, of wat ik moest doen als de verwarming raar geluid maakte. Maar ik hield me in. Ik wilde haar niet het gevoel geven dat ze gelijk had.

Op een regenachtige zondagmiddag stond mijn moeder ineens voor de deur. Ze had niet gebeld, gewoon de trein gepakt en was gekomen. ‘Ik wilde zien hoe je woont,’ zei ze, terwijl ze haar natte jas uittrok. Ze keek rond, haar ogen namen alles in zich op: de bloemen op tafel, de stapel boeken op de vensterbank, de foto van papa op het dressoir. ‘Het is mooi hier,’ zei ze zacht. ‘Anders dan thuis, maar mooi.’

We dronken thee en praatten over vroeger. Over de zomers op Texel, over papa die altijd te hard zong in de auto, over de ruzies die we nu konden relativeren. Mijn moeder huilde even, en ik ook. ‘Ik ben trots op je, Iris,’ zei ze uiteindelijk. ‘En ik ben bang. Maar ik weet dat je dit kunt.’

Toen ze wegging, voelde ik me lichter dan ooit. Alsof er een last van mijn schouders was gevallen. Ik keek uit het raam naar de stad, naar de lichten die aangingen, naar de mensen die hun eigen leven leefden. Ik dacht aan alles wat ik had achtergelaten, en aan alles wat nog voor me lag.

Soms vraag ik me af: wanneer voel je je echt thuis? Is het een plek, of een gevoel? En hoe weet je of je de juiste keuzes maakt, als niemand je meer vertelt wat je moet doen? Misschien is dat wel volwassen worden: leren leven met je eigen twijfels, en toch doorgaan. Wat denken jullie? Wanneer voelde jij je voor het eerst echt thuis?