‘Twee jaar stilte: mijn dochter heeft me uit haar leven gewist, en ik word bijna zeventig…’
‘Waarom bel je me nooit meer, Sanne?’ Mijn stem trilt terwijl ik de zoveelste keer haar voicemail inspreek. Het is inmiddels een ritueel geworden, elke zondagmiddag. Ik weet dat ze niet opneemt, maar toch hoop ik elke keer op een wonder. Twee jaar. Twee jaar zonder een enkel woord van mijn enige dochter. Ik staar naar de foto op de kast: Sanne, lachend in haar eindexamenjurk, haar arm om mijn schouder geslagen. Toen was alles nog goed. Of dacht ik dat alleen maar?
De stilte in mijn flatje in Amersfoort is soms ondraaglijk. De klok tikt, de verwarming slaat aan, buiten hoor ik de buurkinderen spelen. Maar hierbinnen is het stil. Mijn buurvrouw, Truus van Dijk, komt soms langs met een stuk appeltaart. ‘Je moet niet zo piekeren, Els,’ zegt ze dan. ‘Kinderen zijn soms gewoon even zoekende.’ Maar twee jaar? Twee jaar is niet ‘even’.
Ik weet nog precies wanneer het misging. Het was op een regenachtige dinsdag in april, vlak na de begrafenis van mijn man, Sjoerd. Sanne kwam met haar vriend, Bart, en bleef een nacht slapen. We zaten samen aan de keukentafel, de stilte tussen ons zwaar van verdriet. ‘Mam, ik denk dat ik voorlopig even afstand nodig heb,’ zei ze plotseling. ‘Ik trek het allemaal niet meer. Jij… je verwacht zoveel van me.’
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik, mijn stem schor. ‘Ik wil alleen maar dat je gelukkig bent, Sanne.’
Ze zuchtte diep. ‘Dat zeg je altijd, maar het voelt alsof ik nooit goed genoeg ben. Alsof ik altijd tekortschiet. Ik kan niet alles oplossen, mam. Niet jouw verdriet, niet het lege huis, niet de toekomst.’
Ik voelde me alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg. ‘Dat vraag ik toch niet van je?’
‘Misschien niet met woorden, maar wel… met alles wat je doet. Ik voel me zo verantwoordelijk. Ik moet even aan mezelf denken.’
De volgende ochtend was ze weg. Een briefje op het aanrecht: ‘Ik bel je snel. Geef me wat tijd.’ Maar dat telefoontje kwam nooit. En nu zijn we twee jaar verder.
Soms denk ik: misschien ben ik echt te veeleisend geweest. Misschien heb ik haar verstikt met mijn zorgen, mijn liefde, mijn angst om alleen te zijn. Maar ik ben haar moeder. Is het dan zo verkeerd om je kind dichtbij te willen houden?
De dagen rijgen zich aaneen. Ik vul mijn tijd met wandelen in het park, boodschappen doen bij de Albert Heijn, een praatje maken met de kassière. ‘Alles goed, mevrouw Jansen?’ vraagt ze altijd vriendelijk. Ik glimlach en knik, maar vanbinnen voel ik me leeg.
Op zondagmiddag komt Truus weer langs. Ze zet een pot thee op tafel en kijkt me doordringend aan. ‘Je moet haar loslaten, Els. Misschien komt ze vanzelf terug.’
‘Maar wat als ze dat niet doet?’ fluister ik. ‘Wat als ik haar voorgoed kwijt ben?’
Truus pakt mijn hand. ‘Kinderen komen altijd terug. Ooit. Maar jij moet ook verder. Je leeft nog, Els. Je hebt recht op geluk, ook zonder haar.’
Ik knik, maar het voelt als verraad. Hoe kan ik gelukkig zijn als mijn dochter me niet meer wil zien?
’s Nachts lig ik wakker en denk aan vroeger. Aan de zomers op Texel, waar Sanne en ik schelpen zochten op het strand. Aan haar eerste schooldag, haar zenuwachtige glimlach. Aan de ruzies om niets, de verzoeningen met warme chocolademelk. Waar is het misgegaan? Was het na Sjoerds dood? Of al daarvoor?
Op een dag, als ik de post uit de brievenbus haal, vind ik een kaartje van Sanne. Mijn hart slaat over. Maar het is geen uitnodiging tot gesprek, geen verontschuldiging. Alleen een kort bericht: ‘Ik hoop dat het goed met je gaat. Ik heb tijd nodig. Sanne.’
Ik staar naar de woorden. Tijd. Hoeveel tijd? Ik word bijna zeventig. Hoeveel tijd heb ik nog?
De buren organiseren een straatfeest. Truus haalt me over om te komen. ‘Je moet onder de mensen zijn, Els. Je kunt niet blijven wachten.’
Op het feest praat ik met Jan, de overbuurman. Hij is ook alleen sinds zijn vrouw overleed. ‘Mijn zoon spreek ik ook nauwelijks,’ zegt hij. ‘Ze hebben hun eigen leven. We moeten leren loslaten.’
Ik knik, maar het blijft wringen. Is het loslaten, of is het opgegeven?
’s Avonds, als ik thuiskom, voel ik me lichter. Even was ik niet alleen. Maar zodra de deur dichtvalt, keert de stilte terug. Ik pak mijn telefoon en luister naar oude voicemails van Sanne. Haar stem klinkt jonger, vrolijker. ‘Hoi mam, ik ben wat later thuis vanavond!’
Tranen prikken achter mijn ogen. Ik wil haar bellen, haar zeggen dat ik van haar hou, dat ik haar mis. Maar ik durf niet. Bang om haar verder weg te duwen.
De dagen worden korter, de herfst valt in. Ik zet een foto van Sanne op de vensterbank, naast een kaarsje. Elke avond steek ik het aan. ‘Kom terug, meisje,’ fluister ik. ‘Ik wacht op je.’
Soms droom ik dat ze voor de deur staat, haar armen wijd. Maar als ik wakker word, is het huis leeg.
Op mijn verjaardag komt Truus langs met bloemen en taart. ‘Maak een wens, Els,’ zegt ze. Ik sluit mijn ogen en wens dat Sanne me ooit zal vergeven. Dat ze terugkomt, al is het maar voor één kopje thee.
’s Avonds schrijf ik een brief aan Sanne. Geen verwijten, geen smeekbeden. Alleen: ‘Ik hou van je. Je bent altijd welkom.’ Ik weet niet of ik hem ooit zal versturen.
Misschien is dit het leven nu. Wachten, hopen, loslaten. Maar hoe laat je los van je eigen kind?
Hebben jullie ooit zoiets meegemaakt? Hoe ga je verder als je kind je uit haar leven schrapt? Wat zou jij doen als je in mijn schoenen stond?