Mijn vrouw koos voor de zorg voor haar beste vriendin, en ineens voelde ik me de vreemde in mijn eigen huwelijk

‘Dus jij gaat vanavond ook weer?’ vroeg ik, terwijl ik de aardappels afgiet. Ik hoorde zelf hoe kortaf het klonk, maar ik kon het niet meer netjes verpakken.

Maaike hing haar jas al over haar arm. ‘Ja, natuurlijk. Henk redt het niet alleen met Els. Dat weet je.’

‘En ik dan?’ floepte eruit, nog voor ik het kon inslikken.

Ze draaide zich om, keek me aan alsof ik iets beschamends had gezegd. ‘Jij bent toch gezond? Kom op, Peter.’

Dat zinnetje bleef de hele avond in mijn hoofd rondzingen. Jij bent toch gezond. Alsof dat betekende dat ik nergens last van mocht hebben. Alsof een mens pas meetelt als er een diagnose op papier staat.

We kennen Henk en Els al sinds 1984. Eerst via de tennisclub in Amersfoort, later werden het etentjes, samen kamperen in Frankrijk, de jaarlijkse midweek op Texel, elkaars kinderen zien opgroeien. We hebben echt alles gedeeld: overlijdens, bruiloften, ontslagen, de geboorte van kleinkinderen. Els was voor Maaike meer dan een vriendin. Eerder een zus die ze zelf nooit heeft gehad.

Dus toen Els vorig jaar ziek werd, was het voor mij volkomen logisch dat we er waren. Eerst reed ik mee naar afspraken in het Meander, deed ik boodschappen, hing ik een keer een lamp op in hun hal omdat Henk daar niet aan toe kwam. Niets mis mee. Dat doe je voor mensen van wie je houdt.

Maar de laatste maanden schoof er iets. Henk belde niet meer voor af en toe hulp, maar bijna dagelijks. ‘Peter, weet jij nog hoe die DigiD van Els werkt?’ ‘Maaike, zou jij misschien even kunnen komen, want ze wil van mij geen douche aannemen.’ ‘Kunnen jullie meegaan naar de oncoloog? Ik neem niks meer op.’

Ik zag ook wel dat Henk op was. Een man van 68 die altijd alles regelde, en nu bij elk formulier al begon te trillen. Hun dochter woont in Zwolle, hun zoon in Antwerpen, allebei druk, allebei betrokken, maar niet in de buurt. Professionele thuiszorg kwam wel, maar steeds kort, steeds andere gezichten. Ik begreep het allemaal. Echt.

Alleen werd ons huis intussen een soort wachtkamer. Maaike zat aan onze eettafel hun post te ordenen, belde met de apotheek, maakte lijstjes voor de wijkverpleging. Haar aquarelclub op dinsdag zei ze op. De oppasmiddag met onze kleinzoon schoof ze af op onze dochter. Op vrijdag, onze vaste visdag in Spakenburg, zei ze: ‘Dat kan nu toch even niet, Peter?’

Ik begon me te schamen voor mijn irritatie, maar die werd er niet minder door. Ik at vaker alleen. De radio zacht aan. Twee borden uit de kast pakken en er dan toch één terugzetten. Als ze thuiskwam, rook haar jas naar ziekenhuis en koffie. Dan zei ze uitgeput: ‘Els had vandaag zo’n slechte dag.’ En als ik dan voorzichtig begon over óns, verstarde haar gezicht meteen.

Vorige maand barstte het. We zouden een weekend naar Domburg, voor het eerst sinds lange tijd er samen tussenuit. Huisje al betaald. Op donderdagavond zei Maaike: ‘Ik ga niet mee. Henk heeft vannacht niet geslapen en Els vraagt steeds naar mij.’

Ik dacht eerst dat ik haar verkeerd verstond. ‘Je zegt dus gewoon af?’

‘Hoe kan ik nou op een terras gaan zitten alsof er niks aan de hand is?’

‘Omdat ons leven óók doorgaat,’ zei ik. ‘Omdat wij niet ineens hun mantelzorgers fulltime hoeven te worden.’

Ze sloeg haar armen over elkaar. ‘Wat ben jij hard geworden.’

‘Nee,’ zei ik, veel te fel. ‘Ik ben bang dat jij jezelf aan het weggeven bent en dat niemand nog vraagt wat het met ons doet.’

Daar moest ze van huilen, en eerlijk gezegd maakte me dat op dat moment alleen maar bozer. Omdat ik meteen weer degene was die troost moest geven terwijl ik me zelf al maanden aan het inhouden was.

Die nacht sliep ik beneden. Kinderachtig misschien, maar ik wilde haar adem niet horen alsof alles nog normaal was.

Een paar dagen later belde Henk zelf. Niet om iets te vragen, maar om koffie te drinken. We zaten in zijn keuken tussen de medicijnen en ongeopende post. Hij keek naar zijn handen en zei: ‘Ik ben jullie aan het opvreten, hè?’

Ik zei eerst nog: ‘Zo moet je het niet zien.’ Maar hij keek op zo’n manier dat ik ermee stopte. Dus zei ik maar de waarheid. ‘Een beetje wel, Henk.’

Hij knikte alleen. ‘Ik trek het slecht. En als Maaike er is, denk ik steeds: gelukkig, iemand die wél rustig blijft.’

Dat was de eerste keer dat ik niet alleen irritatie voelde, maar ook medelijden. Niet het nette medelijden voor op verjaardagen, maar het rommelige soort. Dat je ziet hoe iemand langzaam kleiner wordt in een situatie waar geen oplossing voor is.

Die avond hebben Maaike en ik eindelijk normaal gepraat. Zonder verwijten, voor het eerst in weken. Ik zei: ‘Ik wil Els en Henk niet laten vallen. Maar ik wil jou ook niet kwijtraken aan iets waar geen bodem in zit.’

Ze was stil en zei toen: ‘Als ik niet ga, voelt het alsof ik haar verraad.’

‘En als je zo doorgaat,’ zei ik, ‘verraad je misschien ook jezelf. En een beetje ons.’

Dat kwam binnen, zag ik.

We hebben daarna samen met Henk, de kinderen en de huisarts om tafel gezeten. Praktisch, Nederlands, met agenda en al. Er is nu meer thuiszorg geregeld, de dochter komt om de week een paar dagen, de zoon doet de administratie op afstand, en Maaike gaat niet meer elke dag. Twee vaste middagen en één avond, meer niet. Ze vindt het nog steeds te weinig. Ik vind het soms nog steeds te veel. Maar het is in elk geval uitgesproken.

Els wordt niet beter. Dat is misschien wel het moeilijkste van alles: dat al die liefde, tijd en inzet niks herstellen, alleen iets draaglijker maken. Laatst zat Maaike weer naast haar op de bank, hand op haar arm, en toen zag ik ook weer waarom ze dit doet. Niet uit plicht alleen, maar uit geschiedenis. Uit veertig jaar leven samen.

Ik heb geleerd dat grenzen stellen niet hetzelfde is als kil zijn. En zij heeft, denk ik, gezien dat trouw aan een ander niet mag betekenen dat je thuis alleen nog maar afwezig bent.

Misschien is dat wat vriendschap op onze leeftijd ook is: niet alles overnemen, maar eerlijk blijven over wat je wel en niet kunt dragen. Hoe zouden jullie die grens trekken, zeker als het om vrienden gaat die al een leven lang bij je horen?