Mijn man wilde tóch mee op onze jaarlijkse Frankrijk-vakantie terwijl ik net mijn moeder had begraven, en wat onze vriendengroep toen voorstelde voelde als verraad

‘Dus jij gaat gewoon?’ hoorde ik mezelf zeggen. Mijn stem sloeg over, iets tussen woede en ongeloof in. Hans stond bij het aanrecht met twee koffiekopjes in zijn handen, alsof dat hem houvast gaf. Op tafel lag nog het condoleanceboek van mijn moeder. Ze was nog geen drie weken dood.

‘Gewoon is ook weer zo wat, Marjan,’ zei hij. ‘Ik zeg alleen dat ik erover nadenk.’

Ik moest gaan zitten. Ik had die ochtend nog de kast van mijn moeder opengemaakt in haar oude huis in Ulft, en de geur van Eau de Cologne en lavendelzakjes hing nog in mijn neus. Ik was de laatste tijd sowieso snel van mijn stuk. Door een liedje op de radio. Door een oude boodschappentas van haar. Door het feit dat niemand meer “meissie” tegen me zou zeggen zoals zij dat deed.

Wij gaan al ruim vijfentwintig jaar met dezelfde vriendengroep naar Frankrijk. Altijd eind juni, ergens in de Dordogne of de Ardèche, met z’n achten of tienen in een grote gehuurde villa met een zwembad waar altijd wel iemand over klaagt dat het water te koud is. Ik regel normaal alles: het huis, de kamers, wie er rijdt, de gezamenlijke pot, zelfs wie er de eerste avond boodschappen doet. Het was bijna een grap geworden. ‘Als Marjan het niet doet, gebeurt het niet.’

Maar dit jaar kon ik het niet opbrengen. Na de uitvaart wist ik meteen: ik wil niet met rosé op een terras zitten doen alsof het leven weer normaal is. Ik wilde naar het geboortedorp van mijn moeder in de Achterhoek, haar zussen opzoeken, door haar oude straat lopen, misschien gewoon een paar dagen nergens aan hoeven trekken. Rust. Stilte. Geen vrolijk gedoe aan een lange eettafel.

Dat had ik ook gezegd in de groepsapp. Heel simpel. ‘Lieve mensen, ik sla dit jaar over. Ik trek het niet. Hans twijfelt nog. Ik laat het even hierbij.’ Meteen kwamen de hartjes en lieve berichtjes. ‘Neem je tijd.’ ‘Logisch.’ ‘We denken aan je.’ Daar was ik oprecht dankbaar voor.

Tot Hans dus zei dat hij misschien toch wilde gaan.

‘Misschien?’ zei ik. ‘Je hebt het al in je hoofd besloten.’

Hij zuchtte. ‘Marjan, ik zit hier ook maar een beetje tegen de muren te kijken. Jij bent met je hoofd bij je moeder, wat logisch is, maar ik raak jou ook kwijt op dit moment. Die vakantie is voor mij niet zomaar vakantie. Dat is mijn uitlaatklep.’

Dat woord alleen al: uitlaatklep. Alsof mijn rouw een benauwde ruimte was waar hij uit moest ontsnappen.

‘Dus ik moet hier in mijn eentje zitten?’ vroeg ik.

‘Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat we elkaar nu ook niet helpen door samen thuis somber te worden.’

Hans is geen harde man. Juist niet. Hij kan slecht met emoties omgaan en gaat dan praktische dingen doen: de kliko buiten zetten, de auto wassen, een appje sturen over voetbal. Tijdens de week van de uitvaart was hij lief, echt. Hij haalde mijn broer van het station, smeerde broodjes, ving bezoek op. Maar daarna leek hij onrustig te worden van mijn verdriet, alsof hij steeds zat te wachten tot ik “weer een beetje de oude” werd.

Een paar dagen later belde Monique uit de groep. Ik stond net in de Plus met een mandje en moest tussen de paprika’s aanhoren wat ze “een tussenoplossing” noemde.

‘We zaten te denken,’ zei ze voorzichtig, ‘misschien is het fijn als Hans wel meegaat, maar dan maken we er geen twee weken van, gewoon één week. Dan is hij er even uit en zijn we ook weer eerder terug voor jou.’

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Midden in de supermarkt. Alsof ik niet degene was die iets miste, maar een logistiek probleem was geworden.

‘Voor míj?’ zei ik. ‘Dus jullie korten de vakantie in zodat het netjes lijkt?’

‘Nee, zo bedoel ik het niet.’

‘Hoe bedoel je het dan wel, Monique? Jullie vinden het ongemakkelijk dat Hans alleen komt. Zeg dat dan gewoon.’

Ze bleef even stil. ‘De dynamiek is anders zonder jou. Dat weet je zelf ook.’

En daar zat precies de pijn. Niet alleen was mijn moeder dood, ik hoorde ineens ook hoe inwisselbaar ik blijkbaar was als mens, maar onmisbaar als regelaar.

Die avond kregen Hans en ik ruzie zoals we in jaren niet hadden gehad. Niet schreeuwen, maar dat kille, felle praten dat nog erger is.

‘Ik vind het echt egoïstisch,’ zei ik. ‘Je vrouw is in de rouw en jij wilt naar Frankrijk omdat je anders chagrijnig wordt.’

‘En ik vind het egoïstisch dat jij voor mij bepaalt wat steun eruit moet zien,’ zei hij. ‘Ik ben er toch? Ik laat je toch niet in de steek? Maar ik mag toch ook ergens ademhalen?’

Ik zei: ‘Als jij nu gaat, voelt het voor mij wel als in de steek laten.’

Hij keek weg en wreef over zijn voorhoofd. ‘Dat gevoel kan ik niet voor je oplossen door naast je op de bank te blijven zitten.’

Dat kwam hard aan omdat ik ergens wist dat er iets waars in zat. Niet in alles, maar wel in iets. Ik wilde niet alleen zijn in mijn verdriet. Maar ik wilde ook dat hij uit zichzelf zou kiezen voor míj, zonder discussie, zonder afweging, zonder praktische tussenoplossingen van vrienden.

Uiteindelijk is hij niet gegaan. Niet omdat ik een ultimatum stelde, maar omdat hij na een paar dagen zelf zei: ‘Als ik daar zit, ben ik met mijn hoofd toch hier. En jij gaat dan alleen maar denken dat ik liever daar ben dan bij jou.’ Hij klonk er niet opgelucht bij. Eerder teleurgesteld. Misschien zelfs een beetje boos. Dat deed ook pijn.

Ik ben die week naar Ulft gegaan, alleen. Geslapen in het oude huis van mijn tante, over de markt gelopen, koffie gedronken met nichten die ik te weinig zie. Hans bleef thuis. We belden elke avond. Eerst stroef, later rustiger. Toen ik terugkwam, zei hij: ‘Misschien had ik vooral moeite met het feit dat alles ineens anders werd, en ik daar geen plek in wist te vinden.’ Dat was het eerlijkste wat hij in weken had gezegd.

Met de vriendengroep is het ook nog niet helemaal zoals eerst. Ik ben nog steeds gekwetst, al snap ik inmiddels beter dat ongemak ook maar gewoon menselijk is. Niet iedereen weet hoe je om rouw heen moet staan zonder iets stoms te doen.

Ik heb geleerd dat verdriet niet automatisch dezelfde vorm heeft binnen een huwelijk, en dat liefde soms ook zichtbaar wordt in misverstanden, botsingen en het alsnog proberen elkaar te begrijpen. Maar ik vraag me nog steeds af: als je partner rouwt, hoor je dan vanzelf thuis te blijven, of mag je ook voor je eigen ademruimte kiezen? Wat vinden jullie?