Ik zei dat we nog maar één dag per week konden helpen, en toen noemde onze oudste vriendin ons verraders
“Dus na veertig jaar is dit wat onze vriendschap waard is? Eén dag per week?” Dat zei ze gewoon, aan onze keukentafel, terwijl de koffie koud werd.
Ik wist even niks terug te zeggen. Mijn man keek naar mij alsof ik het maar moest uitleggen, terwijl we het hier samen over eens waren geweest.
Wij zijn allebei begin zestig. Al sinds de kinderen klein waren, trekken we op met een bevriend stel. Elke donderdag aten we om de beurt bij elkaar. In de zomer fietsen, in de winter kaarten, soms een weekendje Texel of Drenthe. Het was nooit ingewikkeld. Gewoon gelijkwaardig, vanzelfsprekend, vertrouwd.
Tot vorig jaar.
Eerst waren het kleine dingen. Hij vergat afspraken. Vroeg drie keer in een uur of we al gegeten hadden. Raakte zijn pinpas kwijt en gaf de caissière bij de Albert Heijn de schuld. Mijn man zei nog: “Het zal de leeftijd wel zijn.” Maar ik zag aan zijn vrouw dat ze het al langer niet vertrouwde.
Na onderzoeken in het ziekenhuis kwam het woord dementie op tafel. Beginnend, zeiden ze. Er was nog van alles mogelijk met begeleiding, casemanager, geheugenpoli, dagbesteding misschien later. Maar in de praktijk kwam bijna alles op haar neer.
In het begin hielpen we graag. Echt. Mijn man reed hem naar afspraken in het streekziekenhuis omdat zij nog werkte, ik ging mee naar het Wmo-loket van de gemeente, hielp met DigiD, formulieren, de zorgverzekering, een map maken voor de post. Als zij even naar de kapper of supermarkt moest, bleef ik bij hem zodat hij niet alleen was.
Dat voelde normaal. Daar heb je vrienden voor.
Alleen bleef het niet bij af en toe.
Ze appte iedere dag. Soms al om half acht. “Kun jij de huisarts bellen?” “Kunnen jullie hem vanmiddag halen van de dagopvang?” “Hij wil niet douchen, misschien luistert hij wel naar jouw man.” “Ik trek het niet meer, kom alsjeblieft.”
En eerlijk: ik zei bijna altijd ja. Ook als het niet uitkwam. Ook als ik zelf een afspraak had bij de fysio, of eindelijk met mijn zus koffie zou drinken, of gewoon een middag niks wilde. Mijn man deed hetzelfde. Hij zette zijn golfmiddag stop, ik annuleerde twee keer een etentje met oud-collega’s. We praatten onszelf aan dat het tijdelijk was.
Maar tijdelijk werd gewoon het nieuwe normaal.
Op een gegeven moment had ik meer contact met haar dan met mijn eigen kinderen. Mijn man en ik kregen er thuis ook gedoe over. Niet eens doordat we niet wilden helpen, maar omdat alles ineens om hen draaide.
“We zijn geen zorginstelling,” zei mijn man op een avond.
Ik werd boos. “Dat weet ik ook wel, maar wat moet ze dan?”
Hij zei: “Dat is precies het probleem. Wij lossen nu alles op waardoor er niks geregeld wordt wat structureel is.”
Daar had hij niet helemaal ongelijk in. Maar ik vond ook dat hij het makkelijk zei, want meestal vroeg ze mij eerst.
Wat ik ook eerlijk moet zeggen: ik heb zelf meegewerkt aan die scheve situatie. Ik nam dingen over zonder dat zij het vroeg. Ik heb uit mezelf de administratie geordend, de afspraak met de casemanager voorbereid, zelfs een keer de was opgevouwen omdat het me zo’n puinhoop leek. Achteraf snap ik dat ik daarmee ook een signaal gaf: laat maar, wij doen het wel.
En zij greep dat natuurlijk vast, want ze stond met haar rug tegen de muur.
Toch begon het te wringen. Er waren ook momenten dat zij over grenzen ging. Dan belde ze tijdens het eten en als ik niet opnam, kwam er meteen: “Ik zie dat je thuis bent.” Een keer stonden ze zonder afspraak voor de deur omdat hij onrustig was. Mijn man was net onder de douche en ik had migraine. Toen ik zei dat het echt niet uitkwam, begon ze te huilen in de gang. Ik voelde me daarna de slechtste vriendin van Nederland.
We hebben nog geprobeerd het praktisch op te lossen. Mijn man heeft gezegd: “Vraag meer uren huishoudelijke hulp aan, kijk naar dagbesteding, en laat de huisarts meedenken.” Ik heb aangeboden om met haar mee te gaan naar het sociaal wijkteam. Maar daar werd ze juist kwaad van.
“Jullie schuiven me af naar loketten,” zei ze. “Alsof een onbekende beter is dan vrienden.”
Misschien was dat voor haar ook zo. Alleen vergat ze dat onbekenden na vijf uur naar huis gaan omdat het hun werk is. Vrienden hebben ook een eigen leven.
Het liep echt mis twee weken geleden. We zaten hier aan tafel en wilden rustig uitleggen dat we moesten minderen. Niet stoppen, minderen. Mijn man zei: “We willen best elke woensdag helpen. Vaste dag. Dan kun jij afspraken plannen of even op adem komen. Maar we kunnen niet meer de hele week oproepbaar zijn.”
Ze keek ons aan alsof we iets smerigs hadden gezegd.
“Eén dag?” zei ze. “Jullie weten niet hoe de nachten zijn. Jullie weten niet hoe vaak hij me niet meer herkent. En dan komen jullie met een rooster?”
Ik zei: “Juist daarom moeten er professionals bij. Dit houden wij niet vol.”
Toen zei ze dus die zin over veertig jaar vriendschap.
Mijn man bleef rustig, misschien té rustig. “Vriendschap is geen 24-uurs beschikbaarheid,” zei hij.
Zij sloeg met haar hand op tafel. “Nee, blijkbaar niet. Blijkbaar is het alleen gezelligheid zolang er gegeten en gefietst kan worden. Nu het zwaar wordt, trekken jullie een grens.”
Dat kwam hard aan, omdat er een kern in zat waar ik bang voor was. Dat wij onbewust vooral goed waren in de leuke kanten van vriendschap.
Maar het hele verhaal is ook weer niet zo simpel. Want wat zij niet benoemde, is dat we er al maanden diep in zitten. Mijn man heeft hem van de vloer opgeraapt toen hij ’s nachts was gevallen. Ik heb met de bank gebeld omdat er rare afschrijvingen waren. We hebben uren in haar woonkamer gezeten terwijl zij sliep op de bank van pure uitputting. Het is niet alsof we onze schouders ophaalden.
Sinds dat gesprek is het stil. Eerst dacht ik: laat haar afkoelen. Maar vorige week stuurde ze: “Laat maar. Ik weet nu waar ik aan toe ben.” Meer niet.
En nu zit ik daarmee. Ik mis haar. Ik mis hen allebei zoals ze waren. Maar ik voel ook opluchting dat de telefoon niet meer de hele dag gaat, en daar schaam ik me voor.
Mijn man zegt dat we bij ons besluit moeten blijven, anders gaan we er zelf aan onderdoor. Ik snap dat. Tegelijk voelt één dag per week ineens zakelijk op papier, terwijl het voor ons juist de enige manier was om het vol te houden.
Ik weet echt niet of wij nu verstandig zijn geweest of te hard. Hoe zien jullie dat: moet je in zo’n lange vriendschap alles opzijzetten als de nood echt hoog is, of mag je ook dan zeggen tot hier en niet verder?